Juristi.nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:7349Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Rechter wijst voorziening af voor vreemdeling zonder gezinsvergunning — RBDHA:2026:7349

verblijfsvergunning regulier / gezinshereniging / voorlopige voorziening vreemdelingenrecht

Eiser / verzoeker

Verzoeker (vreemdeling, naam gepseudonimiseerd)

VS

Verweerder / gedaagde

Minister van Asiel en Migratie

Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen; de man mag zijn bezwaarprocedure niet in Nederland afwachten en krijgt geen arbeidstoestemming.

  • De voorzieningenrechter kan geen arbeidssticker toewijzen in een procedure die draait om een gezinsverblijfsvergunning, omdat dit buiten de omvang van het geding valt.
  • De minister heeft het mvv-vereiste ten onrechte tegengeworpen, maar dit formele gebrek leidt niet tot een redelijke kans van slagen van het bezwaar omdat de inhoudelijke beoordeling hetzelfde resultaat geeft.
  • De aanvraag strandt inhoudelijk omdat de man onvoldoende heeft onderbouwd hoe hij zijn gezinsleven met zijn partner invult, wat essentieel is voor een geslaagd beroep op artikel 8 EVRM.
  • Het inkomen van de man wordt niet als legaal aangemerkt gezien zijn verblijfsstatus, waardoor het economisch belang van de staat hem terecht kan worden tegengeworpen.
  • Het recht om bezwaar in Nederland af te wachten (artikel 73 Vw) geldt niet als het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.

Samenvatting

Een man die tot september 2025 rechtmatig in Nederland verbleef onder de Europese richtlijn voor tijdelijke bescherming, vroeg de rechter om een voorlopige voorziening nadat zijn aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning was afgewezen. De minister van Asiel en Migratie weigerde hem een vergunning voor verblijf als familie- of gezinslid. De man wilde via de rechter afdwingen dat hij zijn bezwaarprocedure in Nederland mocht afwachten en — zo had hij later toegevoegd — een sticker met arbeidstoestemming wilde krijgen zodat hij in zijn eigen levensonderhoud kon voorzien.

De voorzieningenrechter stelde eerst vast dat er simpelweg geen juridische grondslag bestaat om een arbeidssticker te verstrekken in deze procedure. De zaak draait immers om een verblijfsvergunning als gezinslid, en zelfs als die vergunning wél zou worden verleend, zou de man daarmee nog geen werktoestemming krijgen. Door toch een arbeidssticker toe te kennen zou de rechter buiten de grenzen van het geschil treden — dat is niet toegestaan.

Over de eigenlijke vraag — of de man zijn bezwaarprocedure in Nederland mag afwachten — oordeelde de rechter dat hij moest beoordelen of dat bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Op één punt gaf de rechter de man gelijk: de minister had hem ten onrechte het zogeheten mvv-vereiste tegengeworpen, de plicht om vooraf een machtiging tot voorlopig verblijf aan te vragen. Omdat de man zijn vergunningsaanvraag indiende vóór de relevante beleidsdatum van 4 september 2025, was hij automatisch vrijgesteld van die eis.

Maar dat formele gelijk heeft de man niet geholpen. De minister legde ter zitting uit dat de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag, ook zonder het mvv-vereiste, tot dezelfde conclusie leidt: de vergunning wordt geweigerd. De rechter volgde die redenering. De minister had de aanvraag al inhoudelijk getoetst aan artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat het recht op gezinsleven beschermt, en die toetsing blijft overeind.

Concreet verweet de minister de man dat hij nauwelijks had onderbouwd hoe hij en zijn partner hun gezinsleven invullen. Het feit dat ze op hetzelfde adres staan ingeschreven, vond de rechter onvoldoende bewijs. Daarnaast telde mee dat de man weliswaar zei inkomen uit arbeid te hebben, maar dat dit inkomen — gelet op zijn huidige verblijfsstatus — niet legaal is. Daardoor kan hem het economisch belang van de staat wél worden tegengeworpen. De rechter plaatste enige kanttekeningen bij het argument dat de man een relatie zou zijn begonnen terwijl hij slechts procedureel verblijfsrecht had, maar dat ene kritiekpunt woog niet op tegen de andere, grotendeels onweersproken, gronden van de minister.

Ten slotte voerde de man aan dat hij op grond van de Vreemdelingenwet sowieso recht had gehad op het afwachten van zijn bezwaar in Nederland, als het mvv-vereiste hem niet was tegengeworpen. De rechter erkende dat dit juridisch klopt, maar zag er geen reden in om de voorziening alsnog toe te wijzen: het bezwaar heeft immers geen redelijke kans van slagen, en dat is de doorslaggevende maatstaf. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen, zonder vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Betrokken advocaten

mr. V.L. van Wieringen

verzoeker

LW advocaten en belastingadviseur, GRONINGEN

mr. B.W. Zagers

verweerder

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

1 april 2026

Zaaknummer

NL25.60993

Procedure

Voorlopige voorziening

ECLI

ECLI:NL:RBDHA:2026:7349

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Rechter wijst spoedmaatregel asielzoeker af na Dublin-overdracht
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Nigeriaanse man verliest beroep tegen terugkeerbesluit
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechter wijst voorlopige voorziening Jordaanse asielzoeker af
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Jordaanse man verliest beroep tegen afwijzing tweede asielaanvraag
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechter vernietigt afwijzing asielaanvraag Somalische man die nooit in Somalië woonde
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht