Rechtbank wijst beroep Palestijns gezin uit Gaza af: overdracht naar Duitsland terecht — RBDHA:2026:7352
Dublinoverdracht / asiel / belangen minderjarige kinderen
Eiser / verzoeker
Staatloze Palestijnse man en vrouw afkomstig uit Gaza, mede ten behoeve van hun drie minderjarige kinderen
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep ongegrond verklaard; de asielaanvraag van het Palestijnse gezin wordt niet in Nederland behandeld en het gezin wordt overgedragen aan Duitsland.
- Een extern BIC-assessment (deskundigenonderzoek naar belangen van het kind) is niet verplicht; voldoende is dat de minister de kinderbelangen kenbaar en inzichtelijk in de besluitvorming betrekt.
- Na een eerdere rechterlijke vernietiging wegens motiveringsgebrek heeft de minister in het nieuwe besluit wél concreet de belangen van de minderjarige kinderen beoordeeld, waaronder schoolgang, pestervaringen in Duitsland en behoefte aan stabiliteit.
- Het arrest T.Q. van het Hof van Justitie (niet-begeleide minderjarigen/Terugkeerrichtlijn) is niet van toepassing op minderjarige kinderen die met hun ouders reizen in een Dublinprocedure.
- De voorkeur van het gezin voor overdracht aan Griekenland in plaats van Duitsland is juridisch irrelevant; de Dublinverordening kent een dwingend systeem en Duitsland heeft verantwoordelijkheid aanvaard.
- Geen objectieve stukken zijn overgelegd waaruit aantoonbare schade voor de kinderen bij overdracht aan Duitsland blijkt.
Samenvatting
Een Palestijns gezin uit Gaza — bestaande uit vader, moeder en drie jonge kinderen — vroeg in Nederland asiel aan, maar de minister van Asiel en Migratie weigerde de aanvraag in behandeling te nemen. Duitsland is op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk voor hun asielaanvraag, omdat de Duitsers eerder al een asielverzoek van het gezin hadden behandeld en dit ook formeel hebben erkend.
Het gezin had in de loop der jaren in meerdere landen asiel aangevraagd: de vader al eerder in Griekenland en Duitsland, en beiden ook in België. De Belgische autoriteiten weigerden het gezin terug te nemen, omdat de vader internationale bescherming geniet in Griekenland. De Duitsers stemden wél in met terugname.
Eind december 2025 had de rechtbank in Haarlem een eerder besluit van de minister al vernietigd, omdat onvoldoende was gekeken naar de belangen van de drie minderjarige kinderen. De minister moest opnieuw beslissen en deed dat op 16 januari 2026. Ditmaal beoordeelde de minister wél concreet wat overdracht naar Duitsland voor de kinderen betekent: hij woog mee dat zij jong zijn, in Nederland naar school gaan, dat ze naar eigen zeggen in Duitsland zijn gepest, en dat zij behoefte hebben aan stabiliteit.
Het gezin ging ook tegen dit nieuwe besluit in beroep. Zij voerden aan dat een officieel deskundigenonderzoek naar de belangen van de kinderen — een zogeheten Best Interests of the Child-assessment — verplicht is. Zonder zo'n uitgebreid onderzoek kan de minister volgens het gezin niet vaststellen wat werkelijk in het belang van de kinderen is. Ook wezen zij op de eerdere verplaatsingen, de oorlogssituatie in Gaza die hun familieleden treft, en gaven zij aan liever direct naar Griekenland te gaan dan eerst naar Duitsland te moeten.
De rechtbank volgt het gezin daarin niet. Een apart deskundigenonderzoek is volgens de rechter niet verplicht op grond van Europees recht of het VN-Kinderrechtenverdrag. Voldoende is dat de minister de kinderbelangen kenbaar en inzichtelijk meeneemt in zijn besluitvorming — en dat heeft hij in dit geval gedaan. De arresten van het Europese Hof van Justitie waar het gezin naar verwees, gaan over andere situaties: het ene over niet-begeleide minderjarigen die worden teruggestuurd, het andere over de verplichting om kinderbelangen concreet vast te stellen, maar zonder dwingend voor te schrijven hóe dat moet.
Dat het gezin liever rechtstreeks naar Griekenland gaat, maakt juridisch geen verschil. De Dublinverordening kent een dwingend systeem: omdat Duitsland verantwoordelijkheid heeft aanvaard, is dat de aangewezen lidstaat. Of Duitsland het gezin vervolgens eventueel naar Griekenland zou doorsturen, doet daar niets aan af.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Het gezin wordt overgedragen aan Duitsland en krijgt geen proceskosten vergoed.
Betrokken advocaten
mr. K. Bruin
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1863, Rechtbank Den Haag, 04-02-2026, NL26.4798
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1861, Rechtbank Den Haag, 04-02-2026, NL26.5242
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:494, Rechtbank Den Haag, 13-01-2026, NL26.335
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:160, Rechtbank Den Haag, 07-01-2026, NL25.16275
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.2891
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7352