Rechter verhoogt dwangsom na negeren beslisdeadline nareis — RBDHA:2026:7353
Niet-tijdig beslissen op nareis- en gezinsherenigingsaanvraag (dwangsom bestuursrecht)
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (V-nummer onbekend)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen twee weken een besluit nemen op straffe van een dwangsom van €200 per dag met een maximum van €15.000.
- Bij een tweede beroep tegen niet-tijdig beslissen is geen nieuwe ingebrekestelling vereist als de rechter al eerder een termijn heeft gesteld.
- De eerder opgelegde dwangsom van €100 per dag had onvoldoende effect; de rechtbank verhoogt de dwangsom naar €200 per dag bij het tweede beroep.
- Het fifo-systeem van de minister rechtvaardigt geen langere beslistermijn; de wettelijke termijn van twee weken na uitspraak geldt.
- Het verweer van de minister dat hij de uitspraak op voorhand niet zal naleven strookt niet met het doel van de dwangsom als beslisprikkel.
Samenvatting
Een asielzoeker wacht al jaren op een beslissing van de minister van Asiel en Migratie over nareisaanvragen voor zijn ouders en verblijfsaanvragen voor zijn broers en zussen op grond van het recht op gezinsleven. De minister laat de aanvragen al zo lang liggen dat de rechtbank in Den Haag er voor de tweede keer aan te pas moet komen.
In maart 2025 had de rechtbank al een eerste beroep gegrond verklaard. De minister kreeg destijds een beslistermijn van maximaal twintig weken opgelegd, met een dwangsom van honderd euro per dag bij overschrijding tot een maximum van vijftienduizend euro. Die dwangsom liep vol, maar een besluit bleef uit. De eiser stapte daarom in december 2025 opnieuw naar de rechter.
De minister voerde als verweer aan dat hij werkt met een 'first-in, first-out'-systeem om de verwerking van nareisaanvragen eerlijker te maken. De aanvraag zou volgens dat systeem pas in april 2026 aan de beurt komen. De minister vroeg de rechtbank dan ook om een nieuwe, ruimere beslistermijn én om de dwangsom te verlagen naar maximaal 7.500 euro.
De rechtbank gaat daar niet in mee. Integendeel: omdat de eerder opgelegde dwangsom geen effect had en er opnieuw lang gewacht is zonder enig besluit, trekt de rechter de termijn juist fors in. De minister moet nu binnen twee weken na verzending van de uitspraak een besluit nemen. Ook de dwangsom wordt verhoogd naar tweehonderd euro per dag. De rechtbank wijst er daarbij scherp op dat de minister in zijn verweerschrift eigenlijk al aangeeft de uitspraak niet te zullen naleven — precies de reden waarom de hogere dwangsom gerechtvaardigd is. Een dwangsom is immers bedoeld als prikkel om een bestuursorgaan tot handelen te bewegen, niet als instrument om budget te besparen.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een nieuwe dwangsom op van tweehonderd euro per dag met een maximum van vijftienduizend euro, en veroordeelt de minister tot vergoeding van het griffierecht van 194 euro en proceskosten van 467 euro.
Betrokken advocaten
mr. M. Banwari
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:2052, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.53035 en NL25.53037
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2051, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.53034 en NL25.53036
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:652, Rechtbank Den Haag, 15-01-2026, NL25.37822
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:695, Rechtbank Den Haag, 15-01-2026, NL25.36084
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.61638
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7353