Rechter legt hogere dwangsom op bij nareis na herhaald uitblijven besluit — RBDHA:2026:7384
Niet-tijdig beslissen op nareis / gezinshereniging verblijfsaanvraag
Eiser / verzoeker
Zes gezinsleden (eisers) en hun referent
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen twee weken beslissen op de verblijfsaanvraag, op straffe van een dwangsom van €200 per dag tot een maximum van €15.000.
- Minister heeft ook na eerdere rechterlijke termijnstelling en dwangsom van €15.000 geen besluit genomen op de nareis-/gezinsherenigingsaanvraag
- Bij herhaald niet-naleven van een rechterlijke beslistermijn is een nieuwe ingebrekestelling niet vereist
- Dwangsom verhoogd van €100 naar €200 per dag omdat de eerdere dwangsom onvoldoende prikkel bleek
- Rechtbank stelt een kortere beslistermijn van twee weken in plaats van de standaard acht weken, gelet op de al verstreken tijd
- Verweerder moet griffierecht (€194) en proceskosten (€467) vergoeden
Samenvatting
Een gezin uit een niet nader genoemde herkomst wacht al ruim een jaar op een beslissing van de minister van Asiel en Migratie over een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging. De aanvraag betreft zes personen: twee via de nareis-procedure en vier op grond van het recht op gezinsleven zoals beschermd door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Eerder, in november 2024, stapten de eisers al naar de rechter omdat de minister maar geen besluit nam. De rechtbank Den Haag gaf de minister in februari 2025 gelijk en droeg hem op binnen acht weken te beslissen — of binnen twintig weken als nader onderzoek nodig zou blijken. Bovendien verbond de rechtbank daar een dwangsom aan van honderd euro per dag tot een maximum van vijftienduizend euro.
Ondanks die uitspraak en die financiële prikkel bleef een besluit uit. De maximale dwangsom van vijftienduizend euro liep vol, maar de minister deed nog steeds niets. In september 2025 stelden de eisers opnieuw beroep in wegens het wederom uitblijven van een besluit.
De rechtbank concludeert dat het beroep zonder meer gegrond is. Een nieuwe ingebrekestelling was niet vereist, omdat er al eerder een rechterlijke termijn was gesteld die de minister heeft genegeerd. De rechtbank wijst erop dat de eerder opgelegde dwangsom onvoldoende prikkel heeft gebleken, nu de minister ook na het vollopen van die dwangsom geen stap heeft gezet.
De rechtbank draagt de minister nu op binnen twee weken na bekendmaking van de uitspraak alsnog een besluit te nemen. Ditmaal is de dwangsom verhoogd naar tweehonderd euro per dag, met wederom een maximum van vijftienduizend euro. Daarnaast moet de minister het betaalde griffierecht van 194 euro vergoeden en 467 euro aan proceskosten betalen.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:2010, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.19842
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2000, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.11371
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2001, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.11884
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2014, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.19770
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.45500
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7384