Rechter verhoogt dwangsom bij nieuwe beslistermijnoverschrijding nareis — RBDHA:2026:7387
Niet-tijdig beslissen op mvv-aanvraag nareis / dwangsom bestuursrecht
Eiser / verzoeker
Eiseres (aanvrager nareis-mvv)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister opgedragen binnen twee weken te beslissen, op straffe van een dwangsom van €200 per dag met een maximum van €15.000, en veroordeeld tot €467 proceskosten.
- Tweede beroep wegens niet-tijdig beslissen op nareis-mvv aanvraag is ontvankelijk zonder nieuwe ingebrekestelling, omdat rechtbank eerder al een beslistermijn had opgelegd
- De eerder opgelegde dwangsom van €100 per dag (max. €15.000) is volledig verbeurd zonder dat een besluit werd genomen
- Rechtbank legt hogere dwangsom op van €200 per dag (max. €15.000) wegens gebleken onvoldoende prikkelwerking van de eerste dwangsom
- Beslistermijn van twee weken opgelegd in plaats van de gebruikelijke langere termijn, gelet op reeds verstreken tijd
- Vrijstelling griffierecht wegens betalingsonmacht definitief toegewezen
Samenvatting
Een vrouw wacht al geruime tijd op een beslissing over haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis bij haar referent in Nederland. De minister van Asiel en Migratie heeft die beslissing maar niet genomen, ook niet nadat de rechtbank eerder ingreep.
In februari 2025 had de rechtbank Den Haag al eerder beroep gegrond verklaard omdat de minister te lang niets had gedaan. De rechtbank had de minister toen opgedragen om binnen acht weken een besluit te nemen, of binnen twintig weken als nader onderzoek nodig bleek. Daarbij was een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €15.000.
Dat maximum werd bereikt, maar nog steeds nam de minister geen besluit. In oktober 2025 stelde de vrouw opnieuw beroep in bij de rechtbank wegens het opnieuw uitblijven van een beslissing. De minister maakte geen gebruik van de mogelijkheid om verweer te voeren.
De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk en gegrond is. Een nieuwe ingebrekestelling was niet nodig, omdat de rechtbank eerder al een termijn had gesteld die de minister niet had nageleefd. De rechtbank constateerde bovendien dat de eerder opgelegde dwangsom onvoldoende prikkel had gegeven om de minister tot handelen aan te zetten.
De rechtbank draagt de minister nu op om binnen twee weken na bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Doet hij dat niet, dan verbeurt hij een dwangsom van €200 per dag — het dubbele van de eerdere dwangsom — tot een maximum van €15.000. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van €467 aan proceskosten.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:2010, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.19842
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2000, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.11371
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2001, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.11884
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2014, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.19770
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.50605
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7387