Juristi.nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:7390Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Marokkaanse man in bewaring gesteld voor uitzetting ondanks gezin in Europa — RBDHA:2026:7390

vreemdelingenbewaring / uitzetting / asiel

Eiser / verzoeker

Marokkaanse man (geboren 1992)

VS

Verweerder / gedaagde

Minister van Asiel en Migratie

Beroep tegen de vreemdelingenbewaring ongegrond verklaard; de maatregel ter fine van verwijdering naar Marokko is rechtmatig bevonden en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

  • Bewaring ter fine van verwijdering naar Marokko is rechtmatig: onttrekkingsrisico terecht aangenomen en lichter middel onvoldoende geacht
  • Gesteld familieleven (vrouw en kind met Griekse beschermingsstatus in Duitsland) staat niet automatisch aan uitzetting in de weg; man kan vanuit Marokko rechtmatig verblijf aanvragen
  • Laissez-passer is beschikbaar maar wordt om privacyredenen niet in dossier gevoegd; rechtbank kon ter zitting inzage krijgen
  • Non-refoulementrisico bij terugkeer naar Marokko is niet gebleken, ook niet ambtshalve
  • Bewaringsgehoor was zorgvuldig: uitgebreid onderzocht of maatregel noodzakelijk, proportioneel en evenredig was

Samenvatting

Een Marokkaanse man die in Nederland asiel had aangevraagd, is door de rechtbank Den Haag in het ongelijk gesteld in zijn beroep tegen zijn vreemdelingenbewaring. De man, geboren in 1992, werd op 22 maart 2026 in bewaring gesteld met het oog op zijn uitzetting naar Marokko. De rechtbank oordeelde dat deze maatregel rechtmatig was opgelegd.

De man had in juli 2023 een eerste asielaanvraag ingediend, die in mei 2025 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Zijn beroep daartegen werd in maart 2026 niet-ontvankelijk verklaard. Kort daarvoor had hij al een tweede asielaanvraag ingediend, maar ook die werd afgewezen. Nadat een eerdere bewaring op de zogeheten asielgrond werd opgeheven, plaatste de minister van Asiel en Migratie hem aansluitend in bewaring ter voorbereiding van zijn uitzetting naar Marokko.

Centraal in de procedure stond de vraag of het familieleven van de man aan zijn uitzetting in de weg stond. Hij stelde dat zijn vrouw en kind internationale bescherming hebben gekregen van de Griekse autoriteiten en inmiddels in Duitsland verblijven. Hij vond dat de minister nader onderzoek had moeten doen naar hun beschermingsstatus in plaats van alleen te eisen dat hij originele documenten overlegt — iets wat vanuit detentie moeilijk te bewerkstelligen is. De man overlegde foto's van documenten en WhatsApp-berichten om zijn huwelijk en vaderschap te onderbouwen.

De rechtbank volgde dit betoog niet. Ze stelde vast dat het gehoor voorafgaand aan de bewaring zeer zorgvuldig was verlopen en dat uitgebreid was onderzocht of de bewaring noodzakelijk, proportioneel en evenredig was. Ook was met de man besproken hoe hij zijn familierelatie kon aantonen. De rechtbank benadrukte dat het belang van het kind en het recht op familie- en gezinsleven geen absolute grondrechten zijn, verwijzend naar recente Europese rechtspraak (de zaak Adrar van het Hof van Justitie). Het feit dat zijn gezin mogelijk in de Europese Unie verblijft en beschermd wordt, betekent niet automatisch dat uitzetting naar Marokko onmogelijk is. De minister heeft volgens de rechtbank deugdelijk onderbouwd waarom de man ook vanuit Marokko een rechtmatig verblijf bij zijn gezin kan aanvragen.

Over de laissez-passer — het reisdocument dat nodig is voor de uitzetting — was aanvankelijk onduidelijkheid ontstaan. In het dossier stond vermeld dat er schriftelijk was gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten, terwijl de minister tegelijk stelde al over een geldig document te beschikken. De minister erkende dat deze vermelding onjuist was en legde ter zitting uit dat de laissez-passer wel degelijk beschikbaar is, maar niet in het dossier wordt gevoegd omdat de Marokkaanse autoriteiten dit weigeren vanwege privacygevoelige persoonsgegevens op het document. De rechtbank kon ter zitting inzage krijgen in de laissez-passer. Ook was al een vlucht gepland voor 2 april 2026, met begeleiding.

Ten aanzien van het risico op schending van het verbod op foltering of onmenselijke behandeling (non-refoulement) oordeelde de rechtbank dat dit risico recent was beoordeeld in de asielprocedure en dat de man zelf had verklaard dat er geen nieuwe omstandigheden waren die aan zijn terugkeer naar Marokko in de weg stonden. Ook ambtshalve zag de rechtbank geen aanwijzingen voor een reëel risico bij terugkeer.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De bewaring werd rechtmatig geacht en de man blijft vastzitten in afwachting van zijn uitzetting naar Marokko.

Betrokken advocaten

mr. S.T.V. Le

eiser

Koevoets Immigration Lawyers, ROTTERDAM

mr. S.H.M. Maas

verweerder

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

1 april 2026

Zaaknummer

NL26.16034

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:RBDHA:2026:7390

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Rechter wijst spoedmaatregel asielzoeker af na Dublin-overdracht
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Nigeriaanse man verliest beroep tegen terugkeerbesluit
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechter wijst voorlopige voorziening Jordaanse asielzoeker af
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Jordaanse man verliest beroep tegen afwijzing tweede asielaanvraag
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechter vernietigt afwijzing asielaanvraag Somalische man die nooit in Somalië woonde
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht