Rechter handhaaft bewaring Marokkaanse man ondanks uitzetproblemen — RBDHA:2026:7399
vreemdelingenbewaring / zicht op uitzetting
Eiser / verzoeker
Marokkaanse man (V-nummer bekend bij rechtbank)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Het beroep tegen de voortduring van de vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.
- Marokkaanse autoriteiten erkennen eiser niet als onderdaan, maar dit levert nog geen ontbreken van zicht op uitzetting op
- Verweerder mag de uitkomst van een laissez-passer-aanvraag bij Algerije afwachten; geen aanwijzing dat Algerije weigert
- Overschrijding van de termijn voor sluiting van het vooronderzoek met één dag leidt niet tot onrechtmatigheid van de bewaring
- Geen schending van artikel 5 lid 4 EVRM omdat de uitspraaktermijn zelf niet is overschreden en eiser niet in belangen is geschaad
- Verzoek om schadevergoeding afgewezen nu de bewaring rechtmatig is bevonden
Samenvatting
Een man die stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben, zit al sinds oktober 2025 in vreemdelingenbewaring. De maatregel is gebaseerd op artikel 59 van de Vreemdelingenwet en is inmiddels meerdere keren door de rechtbank getoetst. In de meest recente procedure betwist de man dat er zicht op uitzetting bestaat.
De Marokkaanse autoriteiten hebben in januari 2026 laten weten dat de man niet in hun systemen voorkomt en dat zijn nationaliteit niet is vastgesteld. De man ontkent ook afkomstig te zijn uit Algerije. Toch betekent dit volgens de rechtbank niet automatisch dat de bewaring moet worden opgeheven.
In een eerdere uitspraak van 24 februari 2026 had de rechtbank al geoordeeld dat de staatssecretaris voldoende aanknopingspunten had om uitzetting naar Algerije als reëel te beschouwen. Er is bij de Algerijnse autoriteiten een aanvraag ingediend voor een laissez-passer, een tijdelijk reisdocument. De rechtbank oordeelt dat verweerder de tijd moet krijgen om de uitkomst van die aanvraag af te wachten. Er zijn geen signalen dat Algerije een dergelijk document definitief zal weigeren, en de man heeft ook geen concrete onderbouwing gegeven waaruit blijkt dat uitzetting naar Algerije in het algemeen onmogelijk is.
De rechtbank constateert ook ambtshalve een kleine procedurele onregelmatigheid: het vooronderzoek had uiterlijk op 30 maart 2026 gesloten moeten worden, maar gebeurde pas op 31 maart. Daarmee is de wettelijke termijn met één dag overschreden. Toch leidt dit niet tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is. De rechtbank wijst erop dat de uitspraak zelf tijdig is gedaan en dat de man door de vertraging niet in zijn belangen is geschaad. Bovendien is er nog steeds sprake van een voortvarende behandeling zoals vereist onder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst ook het verzoek om schadevergoeding af.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1328, Rechtbank Den Haag, 27-01-2026, NL26.2326
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1003, Rechtbank Den Haag, 22-01-2026, NL26.2323
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:677, Rechtbank Den Haag, 16-01-2026, NL26.367
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:25609, Rechtbank Den Haag, 31-12-2025, NL25.63223
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
1 april 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.16084
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7399