Rechter dwingt minister tot besluit op te trage asielaanvraag — RBDHA:2026:7408
Dwangberoep wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen vier weken beslissen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 proceskosten vergoeden.
- De minister heeft de maximale beslistermijn van 21 maanden overschreden zonder besluit te nemen op de asielaanvraag van maart 2024
- Omdat al een nader gehoor had plaatsgevonden, wordt de nieuwe beslistermijn gesteld op vier weken in plaats van de gebruikelijke acht weken
- De rechtbank legt een dwangsom op van €100 per dag bij overschrijding van de termijn, met een maximum van €15.000
- De minister moet €467 aan proceskosten vergoeden aan de asielzoeker
Samenvatting
Een asielzoeker heeft met succes beroep ingesteld omdat de minister van Asiel en Migratie al meer dan twee jaar geen beslissing had genomen op zijn asielaanvraag van maart 2024. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, oordeelde dat de minister ernstig in gebreke is gebleven en legt hem nu een harde deadline op.
De asielzoeker diende zijn aanvraag in op 19 maart 2024. De wettelijke beslistermijn verstreek zonder dat de minister een besluit nam. Nadat de asielzoeker de minister formeel had gesommeerd binnen twee weken alsnog te beslissen — en dit opnieuw uitbleef — stapte hij naar de rechter. De rechtbank stelde vast dat de maximale beslistermijn van 21 maanden inmiddels ruimschoots was overschreden.
Bij het bepalen van een nieuwe termijn hield de rechtbank rekening met de zogeheten '8+8 wekenregel', die door de hoogste bestuursrechter is ontwikkeld voor asielzaken. Normaal zou de minister daarna acht weken de tijd krijgen. Maar omdat er op 9 oktober 2025 al een nader gehoor had plaatsgevonden — een belangrijk onderdeel van de asielprocedure — is het meeste voorbereidende werk al gedaan. De rechtbank vindt het dan ook redelijk om de termijn te halveren: de minister heeft nu vier weken om een beslissing te nemen.
Om te voorkomen dat de minister ook deze deadline naast zich neerlegt, verbond de rechtbank er een dwangsom aan. Voor elke dag dat de minister de vierwekengrens overschrijdt, moet hij honderd euro betalen aan de asielzoeker, met een maximum van vijftienduizend euro. Daarnaast moet de minister de proceskosten van de asielzoeker vergoeden: een bedrag van 467 euro.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1911, Rechtbank Den Haag, 02-02-2026, NL25.59042
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RVS:2026:427, Raad van State, 27-01-2026, 202405132/1/V1
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2026:252, Raad van State, 15-01-2026, 202407155/1/V1
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1697, Rechtbank Den Haag, 08-01-2026, 25-59015
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
1 april 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.12458
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7408