Rechter dwingt minister tot beslissen over gezinshereniging met dwangsom — RBDHA:2026:7413
bestuursrecht / niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf (gezinshereniging)
Eiser / verzoeker
Eiseres (aanvrager machtiging tot voorlopig verblijf, gezinshereniging)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen acht (of twintig) weken beslissen op de aanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 proceskosten vergoeden.
- Minister had uiterlijk 20 november 2024 moeten beslissen op de aanvraag om gezinshereniging, maar heeft dat nagelaten; beroep wegens niet tijdig beslissen is gegrond.
- Het fifo-principe geeft volgens de Afdeling bestuursrechtspraak (uitspraak 21 mei 2025) geen aanleiding om af te wijken van de vaste beslistermijnen uit eerdere rechtspraak.
- De dwangsom wordt vastgesteld op €100 per dag met een maximum van €15.000; het verzoek van de minister om een lager maximum (€7.500) wordt afgewezen omdat de minister al aankondigde de uitspraak mogelijk niet na te leven.
- Beslistermijn is acht weken, of twintig weken als de minister binnen die periode tot nader onderzoek besluit en dit schriftelijk meedeelt.
- Griffierecht vrijgesteld wegens betalingsonmacht; proceskosten van €467 komen voor rekening van de minister.
Samenvatting
Een vrouw die via gezinshereniging naar Nederland wil komen, heeft al meer dan een jaar op een beslissing gewacht op haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De minister van Asiel en Migratie had die beslissing allang moeten nemen, maar deed dat niet. De rechtbank Den Haag oordeelt dat dit onacceptabel is en legt een dwangsom op.
De vrouw diende haar aanvraag in op 22 mei 2024, om zich te voegen bij haar referent in Nederland — iemand die al een asielvergunning heeft. De wet schrijft voor dat de minister binnen 90 dagen moet beslissen, met een eenmalige verlengingsmogelijkheid van drie maanden. De uiterste beslisdatum was daarmee 20 november 2024. Die datum ging voorbij zonder enig besluit. Na een ingebrekestelling in februari 2025 stelde de vrouw in september 2025 beroep in bij de rechter.
De minister verdedigde de vertraging met het zogenoemde 'first-in first-out'-principe (fifo), dat hij sinds januari 2024 hanteert om de verwerking van nareis- en gezinsherenigingsaanvragen eerlijker en voorspelbaarder te maken. Volgens dat systeem zou de aanvraag van de vrouw pas in januari 2027 aan de beurt komen. De minister vroeg de rechtbank om daarmee rekening te houden door een langere beslistermijn toe te staan en de dwangsom lager vast te stellen dan gebruikelijk — namelijk op maximaal €7.500 in plaats van de gebruikelijke €15.000.
De rechtbank gaat daar niet in mee. Zij verwijst naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die in mei 2025 heeft geoordeeld dat het fifo-principe géén reden is om af te wijken van de vaste beslistermijnen die in de rechtspraak zijn ontwikkeld. Die termijnen zijn eerder al door de hoogste bestuursrechter als redelijk beoordeeld.
Ook het verzoek om een lagere dwangsom wijst de rechtbank af. De minister gaf in zijn verweerschrift feitelijk aan er al op voorhand rekening mee te houden de uitspraak niet na te zullen leven. Dat staat haaks op het doel van een dwangsom: het bestuursorgaan aanzetten tot handelen. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de prikkel te verlagen.
Because de minister de aanvraag wel heeft ontvangen maar inhoudelijk nog helemaal niet heeft bekeken, krijgt hij acht weken na verzending van de uitspraak om een besluit te nemen. Als de minister binnen die termijn besluit dat nader onderzoek nodig is en dat schriftelijk aan de vrouw meedeelt, geldt een termijn van twintig weken. De rechtbank legt een dwangsom op van €100 per dag dat de minister te laat is, met een maximum van €15.000. Daarnaast moet de minister de proceskosten vergoeden: een bedrag van €467.
Betrokken advocaten
mr. S. Leijtens
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:546, Rechtbank Den Haag, 14-01-2026, NL25.35082
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:439, Rechtbank Den Haag, 09-01-2026, NL25.36465
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:977, Rechtbank Den Haag, 07-01-2026, NL25.53137 en NL25.53138
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:27175, Rechtbank Den Haag, 24-12-2025, NL25.54512 en NL25.54513
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.43224
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7413