Juristi.nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:7414Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Rechter dwingt minister tot besluit over gezinshereniging na twee jaar stilte — RBDHA:2026:7414

niet tijdig beslissen / gezinshereniging / machtiging tot voorlopig verblijf

Eiser / verzoeker

Asielzoeker (anoniem)

Verweerder / gedaagde

Minister van Asiel en Migratie

Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen vier weken (of maximaal zestien weken bij nader onderzoek) beslissen op de gezinsherenigingsaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000.

  • Minister had uiterlijk april 2024 moeten beslissen op de gezinsherenigingsaanvraag; termijnoverschrijding van ruim een jaar
  • Het 'first-in first-out'-principe geeft geen aanleiding om af te wijken van de door de Afdeling vastgestelde beslistermijnen
  • Rechtbank legt dwangsom vast op €100 per dag met maximum €15.000; minister kan niet vooraf aangeven de uitspraak niet na te zullen leven
  • Geen bestuurlijke dwangsom over periode vóór uitspraak door inwerkingtreding nieuwe regelgeving (artikel 71b Vw)
  • Bij gezinshereniging in asielcontext geldt een 'bijzonder geval' waardoor beslistermijn van twee weken wordt verlengd tot vier of zestien weken

Samenvatting

Een asielzoeker wachtte al bijna twee jaar op een beslissing over zijn aanvraag om gezinshereniging. Hij had in oktober 2023 een machtiging tot voorlopig verblijf aangevraagd zodat zijn gezin naar Nederland kon komen. De minister van Asiel en Migratie had uiterlijk in april 2024 moeten beslissen, maar liet niets van zich horen. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, moest er aan te pas komen om de minister tot handelen te dwingen.

De eiser stelde de minister in juni 2025 formeel in gebreke, maar ook daarna bleef een besluit uit. In september 2025 stapte hij naar de rechter. Het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit is een juridisch middel dat burgers kunnen inzetten als een overheidsorgaan te lang wacht. De rechtbank beoordeelde de zaak zonder zitting, wat mogelijk is als de uitkomst juridisch gezien duidelijk ligt.

De minister voerde als verweer aan dat hij werkt volgens het zogeheten 'first-in first-out'-principe, ingevoerd per januari 2024. Dat systeem moet de behandeling van nareis- en gezinsherenigingsaanvragen eerlijker en voorspelbaarder maken door ze op volgorde van binnenkomst af te handelen. De minister vroeg de rechtbank om hiermee rekening te houden bij het opleggen van een beslistermijn, en stelde ook voor de dwangsom lager te stellen dan gebruikelijk: honderd euro per dag met een maximum van 7.500 euro.

De rechtbank volgde de minister niet in zijn redenering over het fifo-principe. De hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, had in mei 2025 al geoordeeld dat dit systeem geen reden is om af te wijken van de vaste beslistermijnen die in dit soort zaken worden gehanteerd. Die termijnen zijn eerder in rechtspraak vastgesteld en door de Afdeling als redelijk beoordeeld.

Wel erkende de rechtbank dat er sprake is van een 'bijzonder geval' bij gezinsherenigingsaanvragen van houders van een asielvergunning. Dat betekent dat de standaardtermijn van twee weken om alsnog een besluit te nemen, kan worden verlengd. Omdat de aanvraag al in behandeling was genomen maar nog onduidelijk was of nader onderzoek nodig is, kreeg de minister vier weken de tijd om te beslissen. Als binnen die termijn wordt besloten tot nader onderzoek — en de eiser daarvan schriftelijk op de hoogte wordt gesteld — dan geldt een maximale termijn van zestien weken.

Over de hoogte van de dwangsom ging de rechtbank niet mee met het verzoek van de minister om die te verlagen. De minister gaf in zijn verweerschrift feitelijk aan er van tevoren al op te rekenen dat hij de uitspraak niet zou nakomen. Dat vindt de rechtbank strijdig met de bedoeling van een dwangsom: juist het bestuursorgaan aanzetten tot handelen. De dwangsom werd dan ook vastgesteld op honderd euro per dag bij overschrijding, met een maximum van vijftienduizend euro.

Het verzoek van de eiser om de reeds verbeurde bestuurlijke dwangsom vast te stellen, wees de rechtbank af. Doordat de ingebrekestelling na een wetswijziging was ingediend, is de minister op grond van nieuwe regelgeving geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd over de periode vóór de uitspraak.

Het beroep werd gegrond verklaard. De minister moet het betaalde griffierecht van 194 euro terugbetalen en wordt veroordeeld in de proceskosten van 467 euro. De rechter legde de minister een dwangsom op van honderd euro per dag bij overschrijding van de beslistermijn, met een maximum van vijftienduizend euro.

Betrokken advocaten

mr. J.W. van de Wege

eiser

De Haas en De Jong Advocaten & Mediators, TILBURG

mr. G. Kleinegris

verweerder

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

31 maart 2026

Zaaknummer

NL25.44707

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:RBDHA:2026:7414

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Rechter wijst spoedmaatregel asielzoeker af na Dublin-overdracht
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Nigeriaanse man verliest beroep tegen terugkeerbesluit
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechter wijst voorlopige voorziening Jordaanse asielzoeker af
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht