Rechter dwingt minister te beslissen over nareis na maanden stilte — RBDHA:2026:7416
niet tijdig beslissen / nareis asiel / machtiging tot voorlopig verblijf
Eiser / verzoeker
Eiser (nareiziger, identiteit geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen acht (of twintig) weken alsnog beslissen op de nareis-aanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000.
- Minister overschreed de wettelijke beslistermijn van 90 dagen plus 3 maanden verlenging zonder besluit te nemen op de nareis-aanvraag.
- Nareis-aanvragen bij houders van een asielvergunning gelden als bijzonder geval, wat een langere rechterlijke beslistermijn van 8 tot 20 weken rechtvaardigt.
- Verzoek om vaststelling van bestuurlijke dwangsom over de verstreken periode afgewezen vanwege nieuwe wet die bestuurlijke dwangsom in vreemdelingenzaken uitsluit.
- Rechterlijke dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding van de nieuwe termijn, met een maximum van €15.000.
- Minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht (€194) en proceskosten (€467).
Samenvatting
Een asielzoeker die via een zogeheten nareis-procedure legaal naar Nederland wilde komen om zich bij een familielid te voegen, wachtte maandenlang tevergeefs op een beslissing van de minister van Asiel en Migratie. De aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf werd ingediend op 18 november 2024, maar de minister liet de wettelijke beslistermijn ongebruikt verstrijken.
De wet schrijft voor dat de minister binnen negentig dagen beslist op dit soort aanvragen. In dit geval verlengde de minister die termijn nog met drie extra maanden, wat betekende dat uiterlijk op 16 mei 2025 een besluit genomen had moeten worden. Dat gebeurde niet. Nadat de minister op 25 augustus 2025 formeel in gebreke was gesteld — een wettelijk vereiste stap voordat beroep kan worden ingesteld — stapte de eiser op 19 september 2025 naar de rechter.
De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, stelde vast dat het beroep terecht was ingesteld en verklaarde het gegrond. Daarbij erkende de rechter dat nareis-aanvragen bij houders van een asielvergunning op dit moment als een bijzonder geval moeten worden beschouwd. Door een grote druk op de besluitvorming bij de overheid geldt er een aangepast tijdschema voor het opleggen van nieuwe termijnen — een lijn die eerder al door de Raad van State is bevestigd en zo recent als mei 2025 opnieuw is onderschreven.
Omdat de minister de aanvraag weliswaar had ontvangen maar verder nog helemaal niet had bekeken, gaf de rechter de minister acht weken de tijd om alsnog een besluit te nemen. Mocht de minister binnen die termijn besluiten dat nader onderzoek nodig is en de eiser daarvan schriftelijk op de hoogte stellen, dan geldt een verlengde termijn van twintig weken na de uitspraak.
De eiser had ook gevraagd om vaststelling van een al verbeurde bestuurlijke dwangsom. Dat verzoek wees de rechter af. Vanwege een nieuwe wet die inmiddels van kracht is — de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken — is de minister over de periode vóór de uitspraak geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.
De rechtbank veroordeelde de minister wel tot betaling van een dwangsom van honderd euro per dag als de nieuwe beslistermijn alsnog wordt overschreden, met een maximum van vijftienduizend euro. Daarnaast moet de minister het betaalde griffierecht van 194 euro vergoeden en 467 euro aan proceskosten betalen.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:2010, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.19842
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2000, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.11371
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2001, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.11884
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2014, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.19770
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.45480
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7416