Rechter houdt bewaring Marokkaanse man in stand na herhaald onttrekken — RBDHA:2026:7425
vreemdelingenbewaring / asiel
Eiser / verzoeker
Marokkaanse man (V-nummer onbekend)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep tegen vreemdelingenbewaring ongegrond verklaard; de maatregel van bewaring blijft in stand en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
- Eiser betwistte de feitelijke gronden voor de bewaring niet; zowel zware als lichte gronden zijn komen vast te staan en kunnen de maatregel dragen.
- Enkelvoudige belofte van eiser dat hij zich niet zal onttrekken is onvoldoende, gelet op twee eerdere verdwijningen met onbekende bestemming en het niet nakomen van de vertrekplicht.
- Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat een lichter middel niet doeltreffend zou zijn om het vluchtrisico te ondervangen.
- Ambtshalve toetsing leverde geen aanknopingspunten op voor onrechtmatigheid van de bewaring op enig moment.
- Beroep ongegrond; verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Samenvatting
Een Marokkaanse man die in bewaring was gesteld door de minister van Asiel en Migratie, probeerde via de rechter zijn vrijheid terug te krijgen. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, oordeelde op 1 april 2026 dat de bewaring rechtmatig was en wees zijn beroep af.
De man, geboren in 1986, was op 19 maart 2026 in vreemdelingenbewaring geplaatst. De bewaring was gebaseerd op twee doelen: het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit, en het verkrijgen van informatie voor de beoordeling van zijn asielaanvraag. De minister achtte hem een vluchtrisico.
Aan de bewaring lagen meerdere zwaarwegende gronden ten grondslag. Zo was de man Nederland niet op de voorgeschreven wijze binnengekomen, had hij zich eerder aan het toezicht op vreemdelingen onttrokken, had hij een vertrekplicht genegeerd, werkte hij onvoldoende mee aan het vaststellen van zijn identiteit en had hij tegenstrijdige of onjuiste gegevens verstrekt over zijn identiteit en reisroute. Daarnaast golden lichtere gronden, zoals het niet nakomen van verplichtingen, meerdere afgewezen verblijfsaanvragen en het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats.
De man betwistte de feiten achter deze gronden niet, maar voerde aan dat de minister had moeten kiezen voor een lichter middel dan bewaring. Hij gaf aan dat hij begreep dat hij zich aan het toezicht moest houden en dat dit zijn laatste kans was.
De rechtbank volgde dit argument niet. De man had al twee keer eerder met onbekende bestemming Nederland verlaten en had eerder zijn vertrekplicht niet nageleefd. Zijn enkele belofte dat hij zich ditmaal niet zou onttrekken, was onvoldoende om het vluchtrisico weg te nemen. Ook waren er geen bijzondere omstandigheden die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maakten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees ook het verzoek om schadevergoeding af. De man blijft daarmee in bewaring.
Betrokken advocaten
mr. G. Cambier
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
Rechtbank wijst beroep Palestijns gezin uit Gaza af: overdracht naar Duitsland terecht
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:7291, Rechtbank Den Haag, 31-03-2026, NL26.15871
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:7317, Rechtbank Den Haag, 31-03-2026, NL26.15872
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:7088, Rechtbank Den Haag, 26-03-2026, NL26.16141
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
1 april 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.15948
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7425