Rechter dwingt minister tot besluit over asielaanvraag na 21 maanden wachten — RBDHA:2026:8111
asielrecht / niet tijdig beslissen op asielaanvraag
Eiser / verzoeker
Twee asielzoekers (namen geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister opgedragen binnen acht weken te beslissen op de asielaanvragen, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, plus proceskosten van €467.
- De minister heeft de wettelijke beslistermijn op de asielaanvragen van 29 maart 2024 overschreden, waardoor het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is.
- Omdat de bovengrens van 21 maanden al was overschreden, legt de rechtbank een kortere beslistermijn op van acht weken in plaats van de gebruikelijke termijn uit het 8+8 wekenmodel.
- De rechtbank legt een rechterlijke dwangsom op van €100 per dag bij overschrijding van de nieuwe beslistermijn, met een maximum van €15.000.
- De minister moet de proceskosten van eisers vergoeden, vastgesteld op €467.
Samenvatting
Twee asielzoekers wachtten al meer dan 21 maanden op een beslissing op hun asielaanvragen, die zij op 29 maart 2024 hadden ingediend. De minister van Asiel en Migratie liet de wettelijke beslistermijn verlopen zonder een besluit te nemen. Nadat de asielzoekers de minister hadden gesommeerd alsnog binnen twee weken te beslissen — en dat ook uitbleef — stapten zij naar de rechter.
De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, stelde vast dat de minister inderdaad te laat is en verklaarde het beroep gegrond. Bij het bepalen van een nieuwe termijn hield de rechtbank rekening met het zogeheten '8+8 wekenmodel', een vaste methode die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hanteert bij het opleggen van nieuwe beslistermijnen in asielzaken.
Omdat in dit geval de maximale termijn van 21 maanden al was overschreden, oordeelde de rechtbank dat een kortere termijn dan normaal op zijn plaats is. De minister kreeg acht weken de tijd om alsnog een inhoudelijk besluit te nemen op de asielaanvragen.
Om te voorkomen dat de minister ook deze deadline naast zich neerlegt, legde de rechtbank een dwangsom op. Voor elke dag dat de minister de nieuwe termijn overschrijdt, moet hij de asielzoekers honderd euro per dag betalen, met een maximum van vijftienduizend euro. Daarnaast moet de minister de proceskosten van de asielzoekers vergoeden, vastgesteld op 467 euro.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1653, Rechtbank Den Haag, 02-02-2026, NL25.61350
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1497, Rechtbank Den Haag, 29-01-2026, NL25.27382
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1367, Rechtbank Den Haag, 28-01-2026, NL25.48993
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1106, Rechtbank Den Haag, 26-01-2026, NL25.57459
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
7 april 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.10870 en NL26.10876
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:8111