ECLI:NL:RBDHA:2026:823, Rechtbank Den Haag, 20-01-2026, NL25.35592 — RBDHA:2026:823
Samenvatting
De minister zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het samenwonen, de medische afhankelijkheidsrelatie en de afhankelijkheidsrelatie die zou ontstaan vanwege de gedeelde ervaringen, referent en zijn familieleden ook zonder de hulp van elkaar functioneren, zodat van bijkomende elementen van afhankelijkheid niet is gebleken. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024 heeft de minister daarmee een onjuist beoordelingskader gehanteerd. De minister heeft door de wijze van toetsen het “zelfstandig functioneren” niet slechts als een onderdeel bij de beoordeling betrokken, maar doorslaggevend geacht.
Betrokken advocaten
mr. E. Ge
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1585, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL25.59407
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1587, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL25.59617
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1053, Rechtbank Den Haag, 23-01-2026, NL24.42500
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:820, Rechtbank Den Haag, 20-01-2026, NL25.31033
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
20 januari 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.35592
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:823