Rechter laat handhavingsbesluit bedrijventerrein Everdenberg Oost in stand — RBOBR:2026:1851
handhaving natuurvergunning / stikstofdepositie / intern salderen / Wet natuurbescherming
Eiser / verzoeker
Eiseres (naam anoniem, milieuorganisatie)
Verweerder / gedaagde
College van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant
Beroep gegrond verklaard wegens gebrekkige stikstofberekening, maar de rechtsgevolgen van het bestreden besluit (afwijzing handhavingsverzoek) worden in stand gelaten.
- De stikstofberekening waarop het handhavingsbesluit was gebaseerd was onvolledig omdat stationair draaien van vrachtwagens ontbrak, waardoor het besluit gebrekkig tot stand is gekomen.
- De geactualiseerde stikstofberekening (november 2024) mag alsnog aan het besluit ten grondslag worden gelegd; de gebruiksfase is maatgevend en het ontbreken van stationair draaien in de bouwfase maakt de conclusie niet anders.
- De rechtbank heropende het onderzoek naar aanleiding van de Afdelingsuitspraken van 18 december 2024 over intern salderen, die de rechtspraak op dit punt ingrijpend wijzigden.
- De toepassing van CROW-publicatie 744, categorie 'gemengd terrein', voor de verkeersgeneratiecijfers is op goede gronden, ook al staan grootschalige distributiebedrijven in het bestemmingsplan toegestaan.
- Het beroep is gegrond, maar de rechtsgevolgen van het bestreden besluit (afwijzing handhavingsverzoek) blijven in stand.
Samenvatting
Een milieuorganisatie vroeg de provincie Noord-Brabant om handhavend op te treden tegen de aanleg van het bedrijventerrein Everdenberg Oost in Oosterhout. De aanleg zou zonder de vereiste natuurvergunning plaatsvinden, omdat de initiatiefnemer via zogenoemd 'intern salderen' meende aan te kunnen tonen dat er geen toename van stikstofdepositie zou optreden op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De provincie weigerde te handhaven, en de eiseres stapte daarop naar de rechter.
De rechtbank oordeelde dat het oorspronkelijke handhavingsbesluit van de provincie inderdaad gebrekkig was. De stikstofberekening waarop dat besluit was gebaseerd, bleek onvolledig: het stationair draaien van vrachtwagens was daarin ten onrechte niet meegenomen. Omdat dit gegeven ontbrak, had het besluit niet op die berekening mogen worden gebaseerd. Het beroep van de eiseres werd op dit punt gegrond verklaard.
Tijdens de procedure deed zich een belangrijke juridische ontwikkeling voor. Op 18 december 2024 — één dag na de eerste zitting — deed de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State twee baanbrekende uitspraken over intern salderen. Daarin werd de rechtspraak op dit punt gewijzigd: voortaan kan intern salderen niet langer automatisch uitsluiten dat een project significante gevolgen heeft voor de natuur. Dit had mogelijk gevolgen voor de zaak, reden waarom de rechtbank het onderzoek heropende en partijen de kans gaf hierop te reageren. In juni 2025 vond een tweede zitting plaats.
De initiatiefnemer had intussen een geactualiseerde stikstofberekening laten opstellen, waarin het stationair draaien wel was meegenomen. De eiseres betwistte ook die berekening op meerdere punten: zo zouden verkeersbewegingen onjuist zijn berekend, zou ten onrechte niet zijn uitgegaan van grootschalige logistieke activiteiten, en zou gerekend moeten worden met 365 in plaats van 300 werkdagen per jaar. De rechtbank verwierp deze bezwaren grotendeels. Ze oordeelde dat de gebruikte verkeerskencijfers uit de CROW-publicatie voor een 'gemengd terrein' op goede gronden waren toegepast, mede omdat de definitieve invulling van het terrein nog niet vaststond en grootschalige distributiebedrijven slechts een deel van de toegestane bedrijvigheid vormen.
Over de gevolgen van de gewijzigde rechtspraak over intern salderen oordeelde de rechtbank dat zij dit punt vanwege de omvang van de uitspraak verder diende te beoordelen — dit aspect speelt een rol bij de vraag of de rechtsgevolgen van het besluit toch in stand kunnen blijven. De rechtbank concludeerde uiteindelijk dat, hoewel het bestreden besluit juridisch gebrekkig tot stand was gekomen, er voldoende grond was om de rechtsgevolgen ervan in stand te laten.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, maar liet de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat de provincie niet alsnog hoeft te handhaven tegen de aanleg van het bedrijventerrein Everdenberg Oost. De aanleg kan dus worden voortgezet, ook al was het oorspronkelijke besluit om niet te handhaven formeel ondeugdelijk gemotiveerd.
Betrokken advocaten
mr. A. Speekenbrink
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBLIM:2026:447, Rechtbank Limburg, 16-01-2026, ROE 22/2594
Rechtbank Limburg · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBLIM:2026:448, Rechtbank Limburg, 16-01-2026, ROE 22/1458
Rechtbank Limburg · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBGEL:2026:214, Rechtbank Gelderland, 13-01-2026, ARN 23/4986
Rechtbank Gelderland · Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
ECLI:NL:RBGEL:2026:217, Rechtbank Gelderland, 13-01-2026, ARN 23/5258
Rechtbank Gelderland · Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Gegevens
Datum uitspraak
25 maart 2026
Instantie
Rechtbank Oost-BrabantRechtsgebied
Bestuursrecht; BestuursprocesrechtZaaknummer
23/3526
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:1851