ECLI:NL:RBOVE:2024:4411, Rechtbank Overijssel, 20-08-2024, ak_23_1537 — RBOVE:2024:4411
Samenvatting
Beroep tegen de invordering van twee verbeurde dwangsommen van elk € 2.000,-. Eisers waren ten tijde van de primaire besluiten en het bestreden besluit gezamenlijk eigenaar van een pand op het perceel Sumatrastraat 1 te Almelo (hierna: het pand en het perceel). Het pand betreft een woning die door eisers wordt verhuurd. Met besluiten van 15 maart 2022 is aan zowel eiser 1 als eiser 2 een last onder dwangsom (LOD) opgelegd. In de (identieke) LOD’s staat dat eisers de overtredingen van artikel 2.1., eerste lid, onder c van de Wabo op het perceel moeten (laten) beëindigen en dat deze niet opnieuw mogen plaatsvinden. Zij kunnen dat doen door het gebruik van het pand voor de huisvesting van meerdere personen, die samen geen gemeenschappelijke huishouding voeren en/of die daar niet hun hoofdverblijf hebben te (laten) beëindigen en beëindigd te houden. De LOD’s zijn in rechte onaantastbaar. Op 2 mei 2022 heeft verweerder in het pand opnieuw een controle laten uitvoeren. De toezichthouder heeft geconstateerd dat in het pand drie personen woonden die met elkaar geen gezamenlijke huishouding voerden. Een belanghebbende kan in de procedure tegen de invorderingsbeschikking of de kostenverhaalsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom of last onder bestuursdwang naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is . Daar is in dit geval geen sprake van. Eisers hebben niet die zorg betracht die in redelijkheid van hen kon worden gevergd, teneinde de herhaling van overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo en lastgevingen in de LOD’s te voorkomen. Van een onrechtmatige cumulatie van dwangsommen als een bijzondere omstandigheid op grond waarvan de in te vorderen bedragen moeten worden verlaagd is geen sprake. Het beroep is ongegrond.
Betrokken advocaten
mr. M.E. Horseling
eiser
mr. C. van Deutekom
eiser
D.A. Cohen
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2025:5845, Raad van State, 03-12-2025, 202406112/1/R4
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBMNE:2025:7119, Rechtbank Midden-Nederland, 26-11-2025, 25/4862
Rechtbank Midden-Nederland · Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
ECLI:NL:RBMNE:2025:4242, Rechtbank Midden-Nederland, 07-08-2025, UTR 25/3484
Rechtbank Midden-Nederland · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RBGEL:2025:4211, Rechtbank Gelderland, 03-06-2025, AWB-24_8268
Rechtbank Gelderland · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Gegevens
Datum uitspraak
20 augustus 2024
Instantie
Rechtbank OverijsselRechtsgebied
Bestuursrecht; BestuursprocesrechtZaaknummer
ak_23_1537
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2024:4411