ECLI:NL:RBROT:2025:6199, Rechtbank Rotterdam, 19-05-2025, ROT 21/1305, ROT 21/2522, ROT 24/1030 en ROT 24/5982 — RBROT:2025:6199
Samenvatting
Het beroep van eiser 1 tegen de afwijzing om handhavend op te treden tegen de activiteiten van de fouragehandel is ongegrond. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat ten tijde van het bestreden besluit 1 concreet zicht op legalisatie bestond. Voor wat betreft de bedrijfswoning heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een overtreding. Het beroep van eiser 1 tegen de omgevingsvergunning voor legalisatie van de bestaande loodsen en het gebruik van het perceel voor fouragehandel is gegrond. Het door het college ingenomen standpunt dat geen verklaring van geen bedenkingen nodig is en niet hoeft te worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking is innerlijk tegenstrijdig en ondeugdelijk gemotiveerd. Het college heeft evenmin voldaan aan de verzwaarde motiveringsplicht om te onderbouwen dat met vergunningverlening sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Eiseres 2 heeft geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van haar beroep tegen de aanvankelijke toewijzing van het verzoek om handhaving op te treden tegen de illegale en brandgevaarlijke situatie op het perceel, omdat dit verzoek uiteindelijk bij het bestreden besluit 3 is afgewezen. Het beroep van eiseres 2 is niet-ontvankelijk. Het beroep van eiser 1 tegen het bij het bestreden besluit 3 uiteindelijk afgewezen verzoek om handhaving is gegrond. Het besluit op bezwaar in de vorm van het bestreden besluit 3a en het bestreden besluit 3b is in dit geval gebrekkig. Met het bestreden besluit 3a wordt immers een handhavingsbesluit in het vooruitzicht gesteld terwijl in het bestreden besluit 3b het verzoek om handhaving (alsnog) wordt afgewezen. Daarmee is het besluit op bezwaar innerlijk tegenstrijdig. Bovendien is tussen het bestreden besluit 3a en het bestreden besluit 3b bijna een jaar verstreken. Dat tijdsverloop is te groot. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit 3 in strijd met artikel 7:11, tweede lid, van de Awb is genomen. Er bestaat geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 3 in stand te laten. Het college heeft onvoldoende duidelijkheid verschaft over de vraag of de brandveiligheid van de gevels voldoet aan de eisen die daarover in de voorschriften van de omgevingsvergunning zijn gesteld.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2025:2437, Raad van State, 28-05-2025, 202306958/1/R1
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBMNE:2025:2463, Rechtbank Midden-Nederland, 15-05-2025, UTR 24/7715, 24/7729 en 24/7760
Rechtbank Midden-Nederland · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RBAMS:2025:106, Rechtbank Amsterdam, 06-01-2025, AMS 24/2755
Rechtbank Amsterdam · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBAMS:2024:5484, Rechtbank Amsterdam, 02-09-2024, AMS 24/2755
Rechtbank Amsterdam · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
19 mei 2025
Instantie
Rechtbank RotterdamRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
ROT 21/1305, ROT 21/2522, ROT 24/1030 en ROT 24/5982
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2025:6199