ECLI:NL:RBROT:2026:2073, Rechtbank Rotterdam, 04-03-2026, ROT 25/3951 — RBROT:2026:2073
Samenvatting
Tabaks- en rookwarenwet. Bestuurlijke boete van € 4.500,- vanwege het niet of onvoldoende handhaven en instellen van het rookverbod. Is de geïnspecteerde ruimte een lokaliteit van een horeca-inrichting of een terras (in de open lucht)? De enkele omstandigheid dat sprake is van een stalen constructie die is bevestigd aan het pand, is naar het oordeel van de rechtbank niet doorslaggevend. Wel past de omstandigheid dat de ruimte geheel afsluitbaar is minder goed bij een "klassiek" terras. In zoverre doet de ruimte meer denken aan een serre. Ten slotte doet de inrichting van de geïnspecteerde ruimte – te weten zitjes bestaande uit tafels met daarbij stoelen of banken – wel weer denken aan een terras waarop bezoekers kunnen plaatsnemen om uit te rusten en waar zij etenswaren en dranken kunnen consumeren. De rechtbank maakt uit de door eiseres overgelegde foto’s op dat de geïnspecteerde ruimte ook kan worden betreden vanaf de straatkant dan wel het grasveld waar de ruimte aan grenst. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd dat in dit geval sprake is van een lokaliteit. Uit de genoemde feiten kan de rechtbank namelijk niet concluderen dat sprake is van een besloten ruimte. Als het geen lokaliteit is, dan is de geïnspecteerde ruimte dus een terras. Ook daar geldt het rookverbod, tenzij er sprake is van een terras in de open lucht. Het rapport van bevindingen bevat geen fotobijlage. Verder is de toezichthouder niet naar de zitting gekomen om een toelichting te geven op het rapport van bevindingen. Nu de toezichthouder in het rapport van bevindingen met betrekking tot het dak vermeldt dat dit deels geopend was, maar zoiets niet vermeldt bij de schuifwand aan de achterzijde, gaat de rechtbank ervan uit dat de schuifwand aan de achterzijde dus geheel open was. De rechtbank kan geen andere conclusie trekken dan dat het terras op het moment van de inspectie voldeed aan de eis dat minimaal één van de zijden volledig open moet zijn. De uitzondering van artikel 6.2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Trb is daarmee van toepassing. De staatssecretaris heeft niet het bewijs geleverd dat eiseres twee maal artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Trw heeft overtreden. De overtredingen staan dus niet vast en de staatssecretaris was daarom niet bevoegd om eiseres bestuurlijke boetes op te leggen. Het beroep is reeds hierom gegrond.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBAMS:2022:2410, Rechtbank Amsterdam, 08-04-2022, C/13/712154 / KG ZA 22-9
Rechtbank Amsterdam · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
ECLI:NL:RBOBR:2021:4957, Rechtbank Oost-Brabant, 08-09-2021, C-01-352888 - HA ZA 19-751
Rechtbank Oost-Brabant · Civiel Recht
ECLI:NL:RBAMS:2020:3285, Rechtbank Amsterdam, 03-07-2020, C/13/682290 / KG ZA 20-324
Rechtbank Amsterdam · Civiel Recht
ECLI:NL:RBZWB:2020:1224, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20-03-2020, C/02/367585 / KG ZA 20-22
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
4 maart 2026
Instantie
Rechtbank RotterdamRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
ROT 25/3951
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:2073