Raad van State buigt zich over vaarverbinding en ophaalbrug in Haren — RVS:2026:1805
omgevingsvergunning / aanlegvergunningplicht vaarverbinding en ophaalbrug
Eiser / verzoeker
appellant sub 1, wonend in Haren, gemeente Groningen
Verweerder / gedaagde
college van burgemeester en wethouders van Groningen
De uitspraak is niet volledig weergegeven; procedurele klachten van beide appellanten zijn verworpen, maar een eindoordeel over de inhoudelijke hogerberoepsgronden ontbreekt in het aangeleverde fragment.
- Nader stuk ingediend door appellant sub 2 kort voor zitting is niet in strijd met de goede procesorde, omdat het grotendeels bekende standpunten herhaalt en appellant sub 1 voldoende gelegenheid had te reageren
- Verzoek van appellant sub 1 om beroepsgronden van een andere eiseres in te lassen werd terecht door de rechtbank afgewezen wegens strijd met de goede procesorde
- De vraag of het aanleggen van het pad omgevingsvergunningplichtig is hangt af van welke bestemmingsplanregels van toepassing zijn: de bestemming 'Natuur' met aanlegvergunningstelsel of de eerdere bestemming zonder
- Overgangsrecht Omgevingswet bepaalt dat de Wabo (oud) van toepassing blijft, omdat de aanvragen vóór 1 januari 2024 zijn ingediend
Samenvatting
In het Groningse Haren willen eigenaren van recreatiewoningen aan het Paterswoldsemeer een vaarverbinding aanleggen tussen het meer en hun percelen. Daarvoor moeten bestaande sloten worden verbreed en verlengd, een nieuwe watergang worden gegraven en een onderhoudspaadje worden aangelegd. Om de toegang voor nabijgelegen recreatiewoningen in stand te houden, is ook een ophaalbrug voorzien. De gemeente Groningen verleende hiervoor omgevingsvergunningen aan appellant sub 2, eigenaar van één van de recreatiewoningen die de aanvragen mede namens anderen indiende.
Een buurman, appellant sub 1, die eigenaar is van een recreatiewoning aan hetzelfde meer, verzette zich tegen beide vergunningen. Zijn woning ligt op ongeveer 70 meter van de geplande brug en vaarverbinding, en de brug is bovendien van belang voor de bereikbaarheid van zijn woning. Hij maakte bezwaar bij de gemeente, maar dat bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank Noord-Nederland gaf hem echter in 2023 alsnog gelijk: zij vernietigde de besluiten en droeg het college op opnieuw te beslissen. Zowel appellant sub 1 als appellant sub 2 gingen in hoger beroep bij de Raad van State.
In de hogerberoepsprocedure speelden allereerst enkele procedurele kwesties. Zo diende appellant sub 2 kort voor de zitting een aanvullend stuk in dat appellant sub 1 pas minder dan tien dagen voor de zitting ontving. De Raad van State oordeelde dat dit geen schending van de goede procesorde opleverde, omdat het stuk grotendeels een herhaling bevatte van eerder ingenomen standpunten en appellant sub 1 er voldoende op had kunnen reageren. Ook het verzoek van appellant sub 1 om beroepsgronden van een eiseres in een andere procedure in te lassen in zijn eigen beroepsgronden, werd terecht door de rechtbank afgewezen: hij had zijn gronden tijdig voor de zitting moeten uitbreiden.
Inhoudelijk draait de zaak onder meer om de vraag of het aanleggen van het pad en de vaarverbinding omgevingsvergunningplichtig is op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de toepasselijke bestemmingsplanregels. Appellant sub 2 betwistte dit op meerdere gronden: hij stelde dat appellant sub 1 niet in zijn belangen wordt geraakt door het pad, dat watergangen onder het bevoegd gezag van het waterschap vallen en dat de rechtbank buiten de grenzen van het geschil trad door bepaalde aanlegactiviteiten ambtshalve te beoordelen. Ook betwistte hij dat sprake was van 'egaliseren van gronden' in de zin van de planregels, nu het slechts om herstelwerkzaamheden zou gaan ten behoeve van natuur en waterhuishouding.
De Raad van State stelde vast dat ten tijde van de aanvraag een bestemmingsplanwijziging in voorbereiding was die de gronden een natuurbestemming zou geven. Die bestemming kent wél een aanlegvergunningstelsel, in tegenstelling tot de toenmalige bestemming. De uitspraak is op dit punt nog niet volledig weergegeven, maar de Afdeling moest eerst beoordelen of de juiste planregels van toepassing zijn voordat zij kon toekomen aan de inhoudelijke vraag of de activiteiten vergunningplichtig zijn.
De zaak is gezien de complexiteit en de lopende procedure bij de Raad van State nog niet tot een volledig eindoordeel gekomen op alle punten. De uitspraak van de Raad van State betreft een inhoudelijke behandeling van de hoger beroepen, waarbij de procedurele verweren van beide appellanten worden verworpen en de inhoudelijke beoordeling van de vergunningplicht voor de vaarverbinding en het pad centraal staat. De Raad van State laat het nadere stuk van appellant sub 2 toe, verwerpt de procedurele klachten van appellant sub 1 en buigt zich verder over de vraag of de verleende omgevingsvergunningen in stand kunnen blijven.
Betrokken advocaten
mr. R.J. Skála
appellant sub 1
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
Raad van State handhaaft dwangsom van €110.000 voor illegale verbouwing rijksmonument
Raad van State · Bestuursrecht
Vrouw uit Veen faalt in strijd tegen permanente bewoning recreatiewoning
Raad van State · Bestuursrecht
Makkumer schipper verliest strijd om ligplaats garnalenkotter
Raad van State · Bestuursrecht
Hoger beroep Helenavener man over arbeidsmigrantenhuisvesting niet-ontvankelijk
Raad van State · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
1 april 2026
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
Bestuursrecht; OmgevingsrechtZaaknummer
202303220/1/R3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1805