Juristi.nl
ECLI:NL:RVS:2026:1817Bestuursrecht

Raad van State bevestigt negatief bindend studieadvies HvA-studente — RVS:2026:1817

negatief bindend studieadvies (NBSA) / onderwijsrecht hoger onderwijs

Eiser / verzoeker

Studente International Business HvA (appellante)

Verweerder / gedaagde

College van beroep voor de examens van de Hogeschool van Amsterdam (CBE)

Het beroep van de studente is ongegrond verklaard; het negatief bindend studieadvies van de Hogeschool van Amsterdam blijft in stand.

  • Studente haalde na twee jaar slechts 57 van de vereiste 60 propedeutische studiepunten, ondanks een eerdere opschorting vanwege visumproblemen met als voorwaarde dat alle 60 punten in jaar twee behaald moesten worden.
  • Het ontbreken van tijdig contact met de studentendecaan maakte het onmogelijk om een oorzakelijk verband tussen persoonlijke omstandigheden en studievertraging vast te stellen.
  • De keuze van de studente om ook tweedejaarsvakken te volgen in plaats van zich te concentreren op propedeutische vakken blijft voor haar eigen risico.
  • De HvA had voldaan aan de verplichting tot een op de persoon toegesneden beoordeling door concrete ondersteuning (studieplan, begeleiding, prioritering) aan te bieden.
  • Het geringe tekort van drie studiepunten is op zichzelf geen grond om het NBSA te herroepen, mede gelet op het lage aantal behaalde tweedejaarspunten (9).

Samenvatting

Een studente aan de opleiding International Business van de Hogeschool van Amsterdam (HvA) werd aan het einde van haar tweede studiejaar geconfronteerd met een negatief bindend studieadvies (NBSA). Daarmee werd haar de toegang tot verdere studie aan die opleiding ontzegd. De studente vocht dat besluit aan, maar zowel het college van beroep voor de examens (CBE) als uiteindelijk de Raad van State stelden haar in het ongelijk.

De studente was in het studiejaar 2023/24 begonnen met de opleiding, maar liep dat jaar studievertraging op door visumproblemen. De examencommissie schoof het verplichte studieadvies daarom door naar het einde van het tweede jaar, maar verbond daaraan een harde voorwaarde: de studente moest aan het einde van 2024/25 alle 60 studiepunten van het propedeutisch jaar hebben behaald. Dat lukte niet — ze haalde er 57, drie punten minder dan vereist.

De studente voerde aan dat persoonlijke omstandigheden, waaronder financiële problemen en moeilijkheden in de familiesfeer, haar studievoortgang hadden belemmerd. Ze stelde ook dat ze zich niet vrij had gevoeld om tijdig contact op te nemen met de studentendecaan, na een eerdere negatieve ervaring. Toen ze op 5 juli 2025 toch contact zocht, kreeg ze een uitnodiging voor een afspraak van slechts tien minuten op 10 juli 2025 om bewijsstukken in te leveren. Ze verscheen niet op die afspraak en had pas op 4 september 2025 een inhoudelijk gesprek met de studentendecaan — ná de beslissing van 14 juli 2025 om haar het NBSA te geven.

De Raad van State oordeelde dat het CBE de beslissing terecht in stand had gelaten. Centraal stond dat de studente aan het begin van haar tweede jaar uitdrukkelijk was gewezen op de plicht om elk blok zelf contact op te nemen met de studentendecaan. Dat had ze nagelaten. Daardoor was het achteraf onmogelijk geworden om vast te stellen of haar studievertraging daadwerkelijk verband hield met persoonlijke omstandigheden. Zonder dat contact kon de studentendecaan haar voortgang niet volgen in de periode waarover ze later problemen meldde.

De Raad erkende dat een laat tijdstip van melden persoonlijke omstandigheden in beginsel niet automatisch aan een beoordeling in de weg staat, maar wees erop dat de studente haar omstandigheden — anders dan in eerdere rechtspraak waarbij dat argument wél slaagde — helemaal niet vroeg had gemeld. Van nalatigheid aan de kant van de instelling was evenmin gebleken. De HvA had haar juist concrete ondersteuning aangeboden: een studieplan, begeleiding bij het prioriteren van vakken en hulp bij de voorbereiding van de hoorzitting.

Dat de studente slechts drie studiepunten tekort kwam, vond de Raad van State geen reden om anders te oordelen. Bovendien had ze er zelf voor gekozen om tijdens haar tweede jaar ook tweedejaarsvakken te volgen in plaats van zich volledig te richten op het halen van de propedeutische eerstejaarsvakken. Die keuze bleef voor haar eigen risico. Daarbij wees het CBE er nog op dat ze voor het tweede jaar slechts negen studiepunten had behaald — een relatief laag aantal dat ook los van de propedeutische tekortkomingen de conclusie rechtvaardigde dat ze de studie naar verwachting niet binnen een redelijke termijn zou kunnen afronden.

De Raad van State verklaarde het beroep ongegrond. Het negatief bindend studieadvies blijft daarmee van kracht en de HvA hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Betrokken advocaten

mr. R. Verspaandonk

appellant

Park20 Advocaten, 'S-GRAVENHAGE

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

1 april 2026

Rechtsgebied

Bestuursrecht

Zaaknummer

202505870/1/A2

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:RVS:2026:1817

Bekijk op rechtspraak.nl