Raad van State handhaaft tijdelijk exploitatieverbod gastouder na mishandelmeldingen — RVS:2026:1826
tijdelijk exploitatieverbod gastouderopvang / kinderopvangtoezicht / redelijke termijn schadevergoeding
Eiser / verzoeker
Gastouder uit Horst aan de Maas (appellante)
Verweerder / gedaagde
College van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas
Hoger beroep ongegrond verklaard; exploitatieverbod in stand gehouden, maar de minister van Justitie en Veiligheid veroordeeld tot betaling van €1.500 schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn plus €453,50 proceskosten.
- Een tijdelijk exploitatieverbod op grond van artikel 1.66 lid 2 Wko vereist geen bewezen feiten of redelijk vermoeden van schuld, maar slechts de verwachting dat niet aan kwaliteitseisen wordt voldaan
- Intensief overleg met het scenarioteam (GGD, Veilig Thuis, OM, politie) volstaat als eigen onderzoek door het college; afzonderlijk nader onderzoek was niet vereist, mede om het strafrechtelijk onderzoek niet te doorkruisen
- De kwetsbare positie van jonge kinderen rechtvaardigt dat het college hun veiligheid zwaarder laat wegen dan het belang van de gastouder bij voortzetting van haar bedrijf
- Het nadien stilleggen van het strafrechtelijk onderzoek is een omstandigheid die dateert van na het besluit en doet niet af aan de rechtmatigheid van het exploitatieverbod op het moment van oplegging
- De redelijke termijn van vier jaar werd met ruim zestien maanden overschreden, volledig toe te rekenen aan de rechtbank, resulterend in €1.500 immateriële schadevergoeding ten laste van de minister van Justitie en Veiligheid
Samenvatting
Een vrouw uit Horst aan de Maas die een gastouderopvang runt, verloor haar hoger beroep tegen een tijdelijk exploitatieverbod dat haar gemeentebestuur in november 2020 had opgelegd. De zaak begon toen een oud-stagiaire van de opvang meldde dat de vrouw fysiek en verbaal agressief gedrag vertoonde richting de kinderen in haar zorg.
Naar aanleiding van die melding overlegde het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas uitvoerig met een zogeheten scenarioteam, bestaande uit de burgemeester, politie, het openbaar ministerie (OM), de GGD en Veilig Thuis. Het OM besloot een strafrechtelijk onderzoek te starten, mede vanwege de aard en gedetailleerdheid van de melding. Op basis hiervan legde het college op 8 november 2020 een tijdelijk exploitatieverbod op. Toen de politie in december 2020 het strafrechtelijk onderzoek stillegde wegens gebrek aan concrete bevestiging, trok het college het verbod direct in.
De vrouw vocht het exploitatieverbod aan via bezwaar, beroep bij de rechtbank Limburg en uiteindelijk hoger beroep bij de Raad van State. Zij stelde dat het college het verbod niet mocht opleggen op basis van slechts een vermoeden. Volgens haar moesten de feiten vaststaan voordat een dergelijke ingrijpende maatregel kon worden genomen. Ook vond zij dat het college zelf nader onderzoek had moeten verrichten naar de juistheid van de melding, en dat het stopzetten van het strafrechtelijk onderzoek bewees dat de beschuldigingen ongegrond waren.
De Raad van State verwierp al deze argumenten. De Afdeling bestuursrechtspraak benadrukte dat de wet het college de bevoegdheid geeft een exploitatieverbod op te leggen als er naar verwachting niet meer aan de kwaliteitseisen wordt voldaan — bewijs dat feiten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden is daarvoor niet nodig. Het college had bovendien niet stilgezeten: via het scenarioteam was intensief contact geweest met relevante instanties voordat het verbod werd opgelegd. Dat eigen aanvullend onderzoek achterwege bleef, was ook begrijpelijk omdat dat een lopend strafrechtelijk onderzoek had kunnen doorkruisen.
De Raad van State wees er ook op dat de kwetsbare positie van kleine kinderen — die zelf niet kunnen vertellen wat er in de opvang gebeurt — zwaarder weegt dan het belang van de gastouder om haar bedrijf open te houden. Bovendien betrof het hier een tijdelijk verbod, een minder vergaande maatregel dan een permanent verbod. Het feit dat het strafrechtelijk onderzoek later werd gestopt, deed niet af aan de rechtmatigheid van het verbod op het moment dat het werd opgelegd.
Hoewel de vrouw de inhoudelijke strijd verloor, kreeg zij wel een schadevergoeding wegens de lange duur van de procedure. De totale rechtsgang duurde ruim vijf jaar en vier maanden, terwijl vier jaar als redelijke termijn geldt. De overschrijding van zo'n zestien maanden werd volledig toegerekend aan de rechtbank. De minister van Justitie en Veiligheid moet de vrouw daarvoor €1.500 aan immateriële schadevergoeding betalen, plus €453,50 aan proceskosten voor het schadeverzoek. Het hoger beroep zelf werd ongegrond verklaard.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
Raad van State handhaaft stopzetting toeslagen om partner zonder verblijfsrecht
Raad van State · Bestuursrecht
Raad van State: drempelbedrag €250 onvoldoende voor ontheffing doden zwanen
Raad van State · Bestuursrecht
Boete tuindersbedrijf voor slechte tijdregistratie blijft op €22.500
Raad van State · Bestuursrecht
Advocaat krijgt geen toeslag voor asielzaak wegens ontbrekende IND-brief
Raad van State · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
1 april 2026
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
202407238/1/A2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1826