Juristi.nl
ECLI:NL:RVS:2026:1831Bestuursrecht

Raad van State handhaaft stopzetting toeslagen om partner zonder verblijfsrecht — RVS:2026:1831

toeslagenrecht / verblijfsrecht toeslagpartner / Unierecht artikel 20 VWEU

Eiser / verzoeker

appellante (naam onbekend)

Verweerder / gedaagde

Dienst Toeslagen

Het hoger beroep is ongegrond verklaard; de stopzetting van zorgtoeslag (€213) en huurtoeslag (€687) over 2022 wordt gehandhaafd.

  • De Dienst Toeslagen heeft een eigen verantwoordelijkheid om artikel 20 VWEU toe te passen, maar hoefde in dit geval geen afhankelijkheidsrelatie aan te nemen omdat de vrouw haar medische klachten niet onderbouwde en ruim 3,5 jaar zelfstandig had gewoond.
  • Een toeslaggerechtigde heeft geen recht op toeslagen als haar toeslagpartner geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland (artikel 9 lid 2 Awir), tenzij EU-recht een verblijfsrecht creëert.
  • Toetsing aan het evenredigheidsbeginsel is niet mogelijk nu het besluit gebaseerd is op een wet in formele zin en er geen bijzondere omstandigheden zijn die de wetgever niet heeft verdisconteerd.
  • Het motiveringsgebrek in het besluit op bezwaar — het ontbreken van een correcte EU-rechtelijke toets — is gepasseerd omdat dit de uitkomst niet anders maakt.
  • De hogerberoepsgronden waren een herhaling van de beroepsgronden, zonder nieuwe argumenten tegen de gemotiveerde beoordeling van de rechtbank.

Samenvatting

Een vrouw verloor haar recht op zorg- en huurtoeslag nadat haar echtgenoot geen verblijfsvergunning kreeg van de IND. De Dienst Toeslagen zette de toeslagen stop, omdat de wet bepaalt dat een toeslaggerechtigde geen aanspraak kan maken op toeslagen als haar partner geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. De vrouw vocht dit besluit aan, maar ving bot bij zowel de bezwaarprocedure als de rechtbank. Vervolgens stelde zij hoger beroep in bij de Raad van State.

De kern van het geschil draait om de vraag of de Dienst Toeslagen bij de beoordeling van het toeslagrecht had moeten nagaan of Europees recht — meer specifiek artikel 20 van het EU-Werkingsverdrag — een verblijfsrecht voor de toeslagpartner kon opleveren. Dat artikel beschermt burgers van de Unie tegen gedwongen vertrek uit het EU-grondgebied als gevolg van het uitzetten van een familielid. Eerder heeft de Raad van State al geoordeeld dat de Dienst Toeslagen een eigen verantwoordelijkheid heeft om dit Europese recht toe te passen en dus niet klakkeloos kan afgaan op het verblijfsoordeel van de IND.

De Raad van State erkende in deze zaak dat de rechtbank en de Dienst Toeslagen niet volledig hadden onderkend dat de situatie van de vrouw in principe binnen de werkingssfeer van artikel 20 van het EU-Werkingsverdrag valt. Die tekortkoming leidde echter niet tot een andere uitkomst. De Dienst Toeslagen had namelijk inhoudelijk onderzocht of sprake was van een zogeheten afhankelijkheidsrelatie: een situatie waarin de vrouw zo sterk afhankelijk is van haar toeslagpartner dat zij feitelijk gedwongen zou worden hem te volgen naar buiten de EU.

Dat onderzoek pakte ongunstig uit voor de vrouw. Zij had gesteld dat haar medische en psychische problemen haar afhankelijk maken van haar man, maar onderbouwde dit niet met stukken van medische instanties. Bovendien bleek dat het echtpaar, hoewel al getrouwd sinds 2018, pas in januari 2022 samen is gaan wonen — ruim drieënhalf jaar nadat het huwelijk werd gesloten. De vrouw had in die tijd zelfstandig voor zichzelf kunnen zorgen. Op grond hiervan concludeerde de Dienst Toeslagen dat er geen zodanige afhankelijkheidsrelatie bestond dat de vrouw op geen enkele wijze van haar partner gescheiden kon leven.

De Raad van State volgde dit oordeel. De argumenten die de vrouw in hoger beroep naar voren bracht, waren een herhaling van wat zij eerder al had aangevoerd, zonder nieuwe redenen te geven waarom de eerdere beoordeling onjuist of onvolledig was. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel werd verworpen: de rechter mag een wet in formele zin niet aan algemene rechtsbeginselen toetsen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die de wetgever niet had voorzien. Dat een stopzetting van toeslagen financiële gevolgen heeft voor het gezin, is een consequentie die de wetgever bij het opstellen van de regels onder ogen heeft gezien.

De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank Amsterdam en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De vrouw ontvangt dus geen zorg- of huurtoeslag over de periode vanaf maart 2022, en er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Betrokken advocaten

mr. E.C. Weijsenfeld

appellant

Aves Advocaten, AMSTERDAM

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

1 april 2026

Rechtsgebied

Bestuursrecht

Zaaknummer

202307934/1/A2

Procedure

Hoger beroep

ECLI

ECLI:NL:RVS:2026:1831

Bekijk op rechtspraak.nl