Rechter dwingt minister te beslissen over gezinshereniging asielzoeker — RBDHA:2026:7249
Niet-tijdig beslissen op mvv-aanvraag gezinshereniging / dwangsom vreemdelingenrecht
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (V-nummer geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen acht (of twintig) weken beslissen op de aanvraag, moet 1.442 euro aan verbeurde bestuurlijke dwangsommen betalen, en riskeert een rechterlijke dwangsom van 100 euro per dag met een maximum van 15.000 euro bij verder verzuim.
- De minister overschreed de wettelijke beslistermijn van 90 dagen (verlengd met drie maanden) voor de mvv-aanvraag gezinshereniging zonder een besluit te nemen.
- Het fifo-principe geeft de minister geen grond om af te wijken van de door de Raad van State vastgestelde redelijke beslistermijnen (uitspraken 3 juli 2024 en 21 mei 2025).
- De rechtbank legt een beslistermijn van acht weken op, of twintig weken indien nader onderzoek schriftelijk wordt aangekondigd.
- De minister heeft het wettelijke maximum aan bestuurlijke dwangsommen verbeurd: 1.442 euro op grond van artikel 4:17 Awb.
- Rechterlijke dwangsom vastgesteld op 100 euro per dag met een maximum van 15.000 euro bij overschrijding van de opgelegde beslistermijn.
Samenvatting
Een asielzoeker diende in september 2024 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor vijf familieleden, in het kader van gezinshereniging. De minister van Asiel en Migratie had wettelijk 90 dagen de tijd om te beslissen, met de mogelijkheid tot een verlenging van drie maanden. Dat betekende dat uiterlijk op 9 maart 2025 een besluit had moeten vallen. Die deadline verstreek zonder enige beslissing.
De asielzoeker stelde de minister op 8 april 2025 formeel in gebreke. Toen ook daarna geen besluit volgde, stapte hij naar de rechter. Het beroep werd ingesteld op 3 september 2025 — ruim na de vereiste twee weken na de ingebrekestelling — en werd door de rechtbank als tijdig en gegrond beoordeeld.
De minister erkende de achterstand, maar wees op het zogenoemde 'first-in first-out'-principe (fifo) dat hij sinds januari 2024 hanteert om de enorme stapel nareisaanvragen eerlijker en voorspelbaarder te verwerken. Volgens dat systeem zou de aanvraag van eiser naar verwachting pas in oktober 2027 aan de beurt komen. De minister vroeg de rechtbank dan ook een ruime beslistermijn op te leggen van minstens twintig weken, en een eventuele dwangsom te beperken tot maximaal 7.500 euro.
De rechtbank ging daar niet in mee. Zij sloot aan bij eerder vastgesteld beleid van de Raad van State, die in juli 2024 redelijke beslistermijnen heeft vastgelegd voor dit soort gevallen. In mei 2025 bevestigde de Raad van State bovendien dat het fifo-principe geen reden is om van die termijnen af te wijken. De rechtbank zag dan ook geen aanleiding de minister meer ruimte te geven dan het geldende kader toestaat.
Omdat de minister de aanvraag weliswaar had bevestigd maar verder nog niets had ondernomen, werd de kortste termijn toegepast: acht weken na verzending van de uitspraak om een besluit te nemen. Mocht de minister binnen die acht weken besluiten dat nader onderzoek nodig is en dit schriftelijk aan de asielzoeker meedelen, dan geldt een maximumtermijn van twintig weken.
Daarnaast stelde de rechtbank vast dat de minister door het uitblijven van een besluit al bestuurlijke dwangsommen heeft verbeurd. Het volledige maximum van de wettelijke regeling werd bereikt: de minister moet 1.442 euro aan de asielzoeker betalen. Voor elke dag dat de nieuwe beslistermijn wordt overschreden, verbeurt de minister bovendien een rechterlijke dwangsom van 100 euro per dag, met een maximum van 15.000 euro. Tot slot werd de minister veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van 467 euro.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:2010, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.19842
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2000, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.11371
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2001, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.11884
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2014, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.19770
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
30 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL 25 42364
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7249