Juristi.nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:7264Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Beroep Syrische asielzoeker niet-ontvankelijk wegens te vroege ingebrekestelling — RBDHA:2026:7264

asielrecht / niet tijdig beslissen / besluitmoratorium Syrië

Eiser / verzoeker

Syrische asielzoeker

VS

Verweerder / gedaagde

Minister van Asiel en Migratie

Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat de ingebrekestelling te vroeg was ingediend.

  • Het besluitmoratorium voor Syrische asielzoekers verlengt de beslistermijn met één jaar (niet met zes maanden), ongeacht de duur van het moratorium zelf.
  • De ingebrekestelling van 1 september 2025 was prematuur, omdat de verlengde beslistermijn pas op 29 oktober 2025 afliep.
  • Een vermelding in het IND-advocatenportaal over een verwachte beslistermijn is geen ondubbelzinnige toezegging waarop een beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gebaseerd.
  • De rechtbank is niet bevoegd om de juistheid van artikel 2 van het Besluit (verlenging met één jaar) inhoudelijk te toetsen.
  • Het onderscheid tussen de geldigheidsduur van het moratorium (zes maanden) en de verlenging van de beslistermijn (één jaar) volgt uit de memorie van toelichting bij de Vreemdelingenwet 2000.

Samenvatting

Een Syrische asielzoeker stapte naar de rechter omdat de minister van Asiel en Migratie niet op tijd had beslist op zijn asielaanvraag. De kern van het geschil draaide om de vraag hoe lang het zogeheten besluitmoratorium voor Syriërs de beslistermijn had verlengd: zes maanden of een jaar.

De asielaanvraag werd op 29 april 2024 ingediend. Normaal gesproken moet de minister binnen zes maanden beslissen, dus uiterlijk op 29 oktober 2024. De minister had op die datum echter nog geen besluit genomen. In december 2024 stelde de minister vervolgens een besluitmoratorium in voor Syrische asielzoekers, vanwege de onzekere situatie in Syrië na de val van het Assad-regime. Dat moratorium trad op 14 december 2024 in werking en gold voor zes maanden, tot 14 juni 2025.

De asielzoeker stelde op 1 september 2025 schriftelijk dat de minister in gebreke was, als eerste stap om beroep te kunnen instellen. Vervolgens diende hij beroep in bij de rechtbank. Hij betoogde dat de beslistermijn door het besluitmoratorium slechts met zes maanden was verlengd — de duur van het moratorium zelf — en dat de minister dus al lang had moeten beslissen.

De minister zag dat anders. Volgens het besluit waarmee het moratorium was ingesteld, wordt de beslistermijn niet verlengd met de duur van het moratorium, maar met een heel jaar. Dat betekent dat de uiterste beslisdatum op 29 oktober 2025 lag — en niet eerder. De ingebrekestelling van 1 september 2025 was daarmee te vroeg ingediend, en het beroep zou niet-ontvankelijk zijn.

De rechtbank volgde het standpunt van de minister. Uit het besluit blijkt duidelijk dat de beslistermijn met een jaar wordt verlengd, los van de vraag hoe lang het moratorium zelf geldig is. De rechtbank legde uit dat die twee dingen van elkaar moeten worden onderscheiden: het moratorium kan na zes maanden zijn opgeheven, maar de minister heeft daarna nog tijd nodig om daadwerkelijk te beslissen en nieuw landenbeleid te formuleren. Dat de beslistermijn met een jaar is verlengd, is ook niet in strijd met Europese regelgeving.

De asielzoeker probeerde het ook via een ander argument. In het advocatenportaal van de IND stond dat de beslissing werd verwacht vóór 29 april 2025 — wat zou duiden op een verlenging van slechts zes maanden. Hij stelde dat hij mocht vertrouwen op die mededeling. De rechtbank verwierp dit beroep op het vertrouwensbeginsel. Een indicatie van een verwachte beslistermijn is geen ondubbelzinnige, juridisch bindende toezegging. Ook een publicatie in het blad van VluchtelingenWerk Nederland kon die conclusie niet dragen.

Omdat de ingebrekestelling van 1 september 2025 te vroeg was ingediend — de beslistermijn liep immers tot 29 oktober 2025 — was er geen geldige ingebrekestelling. Zonder geldige ingebrekestelling kan geen beroep worden ingesteld wegens het niet tijdig beslissen. De rechtbank verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Betrokken advocaten

mr. B.G. Smouter

eiser

BdH Advocaten, ARNHEM

mr. N.N. Mikolajczyk

verweerder

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

31 maart 2026

Zaaknummer

NL25.44995

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:RBDHA:2026:7264

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Rechter verplicht minister tot besluit over Syrische asielaanvraag
Rechtbank Den Haag·9 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bewaring Poolse asielzoeker blijft rechtmatig ondanks ingediende zienswijze
Rechtbank Den Haag·9 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Minister opnieuw te laat met mvv-besluit, dwangsom van €100 per dag
Rechtbank Den Haag·9 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechter dwingt minister tot besluit over Syrische asielaanvraag
Rechtbank Den Haag·9 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Egyptenaar tevergeefs tegen overdracht naar Zwitserland
Rechtbank Den Haag·9 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht