Bewaring asielzoeker rechtmatig ondanks te laat ingediende beroepsgronden — RBDHA:2026:7613
vreemdelingenbewaring / Dublin-overdracht / schadevergoeding
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (Dublin-overdracht aan Duitsland)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep ongegrond verklaard en verzoek om schadevergoeding afgewezen; de bewaring werd rechtmatig geacht.
- Te laat ingediende beroepsgronden (na sluiting onderzoek) worden buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde
- Rechtbank is verplicht bewaring ambtshalve op rechtmatigheid te toetsen, ook zonder tijdig ingediende gronden
- Niet-ontvankelijkverklaring wegens ontbreken tijdige gronden is in bewaringszaken niet mogelijk vanwege de ambtshalve toetsingsplicht
- Bewaring op grond van Dublinverordening rechtmatig bevonden; geen grond voor schadevergoeding na opheffing
Samenvatting
Een asielzoeker die in bewaring was gesteld op grond van de Dublinverordening, verloor zijn beroep tegen die bewaring bij de rechtbank Den Haag. De zaak draaide uiteindelijk alleen nog om een schadevergoeding, omdat de man al was overgedragen aan Duitsland voordat de zitting plaatsvond.
De minister van Asiel en Migratie had de man op 5 maart 2026 in bewaring gesteld. Er was een concreet aanknopingspunt voor overdracht aan Duitsland als verantwoordelijk EU-land, en de minister achtte het risico op onttrekking aan toezicht significant. Als redenen golden onder meer dat de man Nederland niet op de voorgeschreven wijze was binnengekomen, zich eerder aan vreemdelingentoezicht had onttrokken, onjuiste gegevens had verstrekt over zijn identiteit en geen medewerking verleende aan de overdracht. Op 19 maart 2026 werd de bewaring opgeheven nadat de man daadwerkelijk aan Duitsland was overgedragen.
De gemachtigde van de asielzoeker handhaafde het beroep en kondigde aan schriftelijke gronden te zullen indienen, maar liet tegelijkertijd weten niet aanwezig te zullen zijn bij de zitting op 23 maart 2026. Op het moment dat de zitting om 10:30 uur begon, waren er echter nog geen gronden ingediend. De rechtbank behandelde de zaak in die stand en sloot het onderzoek om 10:35 uur. Acht minuten later, om 10:43 uur, diende de gemachtigde alsnog schriftelijke beroepsgronden in — te laat.
De rechtbank liet die gronden buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde. Verweerder had immers geen gelegenheid meer gehad om hierop te reageren. Opmerkelijk is wel dat de rechtbank de inhoud van de te laat ingediende gronden wél heeft meegenomen in haar ambtshalve toetsing van de bewaring — een verplichting die voortvloeit uit Europese rechtspraak. Die ambtshalve toets leverde geen onrechtmatigheden op.
De minister had bepleit het beroep niet-ontvankelijk te verklaren vanwege het ontbreken van tijdige gronden, maar de rechtbank ging daarin niet mee. Juist omdat de bewaring sowieso ambtshalve wordt getoetst, kan die consequentie niet worden verbonden aan het uitblijven van tijdige beroepsgronden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De man ontvangt geen compensatie voor de periode waarin hij in bewaring zat.
Betrokken advocaten
mr. J.A.A. Willems
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:900, Rechtbank Den Haag, 19-01-2026, NL25.55979
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:24015, Rechtbank Den Haag, 11-12-2025, NL24.48247
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:22558, Rechtbank Den Haag, 28-11-2025, NL25.50050
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:22556, Rechtbank Den Haag, 28-11-2025, NL25.53527
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
25 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
26.14204
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7613