Rechter bevestigt bewaring Marokkaanse asielzoeker in grensprocedure — RBDHA:2026:8025
vreemdelingenbewaring / asiel grensprocedure
Eiser / verzoeker
Marokkaanse asielzoeker (V-nummer geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep tegen de bewaring ongegrond verklaard en verzoek om schadevergoeding afgewezen.
- Dublinverordening niet van toepassing omdat eiser na overdracht door België in de Nederlandse nationale asielprocedure is opgenomen
- Eiser heeft tijdens gehoor niet verklaard over verblijf in Spanje en er is geen Eurodac-treffer, dus geen indicatie voor Spaanse verantwoordelijkheid
- Zware gronden 3a, 3b, 3c en 3d en lichte gronden 4a, 4c en 4d zijn onbetwist en dragen de maatregel van bewaring
- Ambtshalve toetsing leidt niet tot onrechtmatigheid van de bewaring op enig moment
- Verzoek om schadevergoeding afgewezen nu beroep ongegrond is
Samenvatting
Een Marokkaanse man die via België aan Nederland werd overgedragen, werd op 24 maart 2026 door de minister van Asiel en Migratie in vreemdelingenbewaring gesteld. Hij vocht die maatregel aan bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, maar zonder succes.
De man, geboren in 2000, stelde dat hij al sinds 2020 in Spanje woont en daar staat ingeschreven. Volgens hem had Spanje daarom de verantwoordelijkheid voor zijn asielprocedure moeten dragen, en had hij op een andere juridische grondslag in bewaring moeten worden gesteld. De rechtbank verwierp dit betoog. De Belgische autoriteiten hadden hem in het kader van de Dublinverordening aan Nederland overgedragen, waarna hij hier een asielaanvraag indiende en in de nationale procedure werd opgenomen. Daarmee was de Dublinverordening niet langer van toepassing. Bovendien had de man tijdens zijn gehoor niets verteld over zijn verblijf in Spanje, en ook een zogenoemde Eurodac-treffer — een vingerafdrukregistratie die zou kunnen aantonen dat hij eerder in Spanje was geregistreerd — ontbrak.
De bewaring was opgelegd omdat zijn identiteit en nationaliteit vastgesteld moesten worden en gegevens nodig waren voor de beoordeling van zijn asielaanvraag. De minister onderbouwde de maatregel met meerdere zware gronden: de man was Nederland niet op de voorgeschreven wijze binnengekomen, had zich enige tijd onttrokken aan het vreemdelingentoezicht, had niet meegewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit, zich ontdaan van zijn reisdocumenten, en had eerder een aanzegging gekregen Nederland te verlaten zonder daaraan gevolg te geven. Daarnaast golden lichte gronden, waaronder het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan.
De man betwistte deze gronden niet inhoudelijk. De rechtbank stelde vast dat ze feitelijk juist en voldoende onderbouwd waren, en oordeelde na een ambtshalve toets dat de bewaring op geen enkel moment onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Betrokken advocaten
mr. G. Cambier
verweerder
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2025:16093, Rechtbank Den Haag, 26-08-2025, NL24.48495
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:5687, Rechtbank Den Haag, 03-04-2025, NL25.10728
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:5677, Rechtbank Den Haag, 02-04-2025, NL25.13772 NL25.13773 NL25.13779 NL25.13781 NL25.13783 NL25.13784 NL25.13785
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2024:22315, Rechtbank Den Haag, 19-12-2024, 24-47581
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
7 april 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.16606
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:8025