Rechter dwingt minister alsnog te beslissen over gezinshereniging asielzoekers — RBDHA:2026:8028
gezinshereniging / nareis asiel / niet tijdig beslissen
Eiser / verzoeker
Vier asielzoekers (eisers 1 t/m 4)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroepen gegrond verklaard; minister moet binnen twee weken beslissen op de aanvragen, op straffe van een dwangsom van €250 per dag met een maximum van €37.500, en moet €467 aan proceskosten vergoeden.
- Ingebrekestelling was niet vereist omdat de rechter in de eerdere uitspraak al een uitdrukkelijke termijn had gesteld die was verstreken
- Minister liet eerdere rechterlijke beslistermijn van 18 juni 2025 zonder beslissing of reactie verstrijken
- Rechterlijke dwangsom van €250 per dag opgelegd met een maximum van €37.500
- Bestuurlijke dwangsom wordt niet nogmaals vastgesteld: de wet voorziet hier niet in na een al verstreken rechterlijk bevel
- Proceskosten van €467 vergoed aan eisers wegens gegrond beroep
Samenvatting
Vier asielzoekers wachtten al lang op een beslissing van de minister van Asiel en Migratie over hun aanvraag voor gezinshereniging. De rechtbank in Zwolle had de minister op 18 juni 2025 al opgedragen om binnen acht weken te beslissen. Dat deed de minister niet, waarop de vier eisers opnieuw naar de rechtbank stapten — dit keer in Den Haag, zittingsplaats Utrecht.
De rechtbank stelt vast dat de minister de eerder opgelegde beslistermijn zonder enige reactie heeft laten verlopen. Er was geen verweerschrift ingediend, zodat ook onduidelijk bleef wanneer de minister wél van plan was te beslissen. Normaal gesproken moet een betrokkene eerst een formele ingebrekestelling sturen voordat hij naar de rechter kan stappen. Omdat de rechter in de eerdere uitspraak al een uitdrukkelijke termijn had gesteld die inmiddels ruimschoots was verstreken, hoefden de eisers dat deze keer niet te doen. De beroepen werden dan ook ontvankelijk verklaard.
De eisers hadden ook gevraagd om vaststelling van een zogenoemde bestuurlijke dwangsom — een boete die de overheid van rechtswege verbeurt als zij niet op tijd beslist na een ingebrekestelling. In de eerdere uitspraak was die al vastgesteld op €1.442. De rechtbank legt uit dat de wet niet voorziet in een tweede ronde van bestuurlijke dwangsommen als de minister nalaat een eerder rechterlijk bevel op te volgen. Die bestuurlijke dwangsom wordt daarom nu niet nogmaals vastgesteld.
Wat de rechter wél doet, is een nieuwe, strenge termijn opleggen. De minister moet nu binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing nemen op de aanvragen. Doet de minister dat niet, dan geldt een rechterlijke dwangsom van €250 per dag, met een maximum van €37.500. Daarnaast moet de minister de proceskosten van de eisers vergoeden: €467, berekend op basis van een vaste puntensystematiek met een lagere wegingsfactor omdat de zaak uitsluitend gaat over het overschrijden van een beslistermijn.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1964, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.33943
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1476, Rechtbank Den Haag, 29-01-2026, NL25.54636
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1379, Rechtbank Den Haag, 28-01-2026, NL25.60971
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1387, Rechtbank Den Haag, 28-01-2026, NL25.51992
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
1 april 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.6104
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:8028