Rechter dwingt minister tot beslissing op Syrische asielaanvraag — RBDHA:2026:8400
Niet-tijdig beslissen op asielaanvraag / toepassing Besluit- en Vertrekmoratorium Syrië
Eiser / verzoeker
Syrische vrouw (mede namens minderjarig kind)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen zestien weken beslissen op de asielaanvraag, met een dwangsom van €100 per dag (max. €15.000) bij overschrijding, en proceskosten van €467 vergoeden.
- Rechtbank oordeelt dat het Besluit- en Vertrekmoratorium voor Syriërs de beslistermijn opschort (niet verlengt), gebaseerd op de Europese Procedurerichtlijn.
- Gecombineerde termijn (6 maanden regulier + 6 maanden BVM-opschorting) leidde tot deadline van 1 oktober 2025, die de minister overschreed.
- Minister krijgt zestien weken om alsnog te beslissen op de asielaanvraag, conform het '8+8 wekenmodel' van de Raad van State.
- Bij overschrijding van de nieuwe beslistermijn geldt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000.
- Minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €467.
Samenvatting
Een Syrische vrouw, die samen met haar minderjarige kind in oktober 2024 asiel aanvroeg in Nederland, stapte naar de rechter omdat de minister van Asiel en Migratie te lang uitbleef met een beslissing op haar aanvraag. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, moest beoordelen of de minister inderdaad te laat was en wat daartegen gedaan kon worden.
Normaal gesproken moet de minister binnen zes maanden beslissen op een asielaanvraag. Complicerende factor in deze zaak was het zogeheten Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) dat de minister op 11 december 2024 instelde voor Syriërs. Dit moratorium trad op 14 december 2024 in werking en gold zes maanden lang, tot 13 juni 2025. Het BVM was bedoeld om beslissingen op te schorten zolang de situatie in Syrië te onzeker was om een weloverwogen beslissing te nemen.
De rechtbank nam een opvallend standpunt in over de juridische betekenis van het BVM. De wet en het moratorium zelf spreken over het 'verlengen' van de beslistermijn, maar de rechtbank oordeelde dat dit eigenlijk moet worden gelezen als 'opschorten'. De rechter baseerde dit op de Europese Procedurerichtlijn, die als grondslag diende voor de Nederlandse regeling en in de Engelse tekst het woord 'postpone' gebruikt. Bovendien past opschorting beter bij het doel van een moratorium: zolang de situatie onduidelijk is, ligt de beslissing stil; zodra de situatie weer duidelijk is, loopt de termijn gewoon verder.
Dit had concrete gevolgen voor de berekening van de beslistermijn. De aanvraag werd ingediend op 1 oktober 2024. De reguliere beslistermijn van zes maanden, gecombineerd met de zes maanden durende opschorting door het BVM, betekende dat de minister uiterlijk op 1 oktober 2025 had moeten beslissen. Nadat die datum verstreek zonder besluit, stelde de vrouw de minister formeel in gebreke en gaf hem twee weken om alsnog te beslissen. Toen dat ook uitbleef, werd beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond: de minister heeft inderdaad onrechtmatig te lang gewacht. Als gevolg daarvan krijgt de minister zestien weken de tijd om alsnog een besluit te nemen op de asielaanvraag. Deze termijn is gebaseerd op het zogeheten '8+8 wekenmodel' dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hanteert bij dit soort situaties. Voldoet de minister niet aan deze termijn, dan verbeurt hij een dwangsom van €100 per dag, met een maximum van €15.000. Daarnaast moet de minister de proceskosten van de vrouw vergoeden, vastgesteld op €467.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1763, Rechtbank Den Haag, 29-01-2026, NL25.35573 en NL25.35574
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1369, Rechtbank Den Haag, 28-01-2026, NL25.61623
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtbank gebiedt minister alsnog besluit asielaanvraag
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:849, Rechtbank Den Haag, 21-01-2026, NL25.48670
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
9 april 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.10298
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:8400