ECLI:NL:RBNHO:2025:12065, Rechtbank Noord-Holland, 17-10-2025, 15.101802.23 — RBNHO:2025:12065
Samenvatting
CAT-zaak. Verzoek tot aanhouding van de verdediging. Verdediging wijst op arrest van het Franse Hof van Cassatie van 16 september 2025 (Pourvoi n n° 24-84.262), waarin een prejudiciële vraag wordt geformuleerd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De vraag die bij het Franse Hof van Cassatie rijst, zo begrijpt de rechtbank, is of artikel 14 lid 1 van de EOB-richtlijn niet vereist dat in een rechtsmiddel wordt voorzien. Dit ondanks de omstandigheid dat (in Frankrijk) vaste rechtspraak is dat de belanghebbende zijn rechtsmiddel slechts kan uitoefenen binnen de procedure waarin hij zelf wordt vervolgd en de rechter dit toezicht niet kan uitoefenen wanneer de strafprocedure waarin de persoon wordt vervolgd, in een andere lidstaat wordt gevoerd. De rechtbank wijst het verzoek af omdat zij geen aanleiding of noodzaak ziet om in onderhavige zaak de uitkomst van de door de Franse rechter gestelde prejudiciële vraag over de uitleg van artikel 14 lid 1 van de EOB-richtlijn af te wachten. De verdediging heeft die noodzaak verder ook niet gemotiveerd onderbouwd. Het gaat in deze zaak niet om bewijs dat door de Franse autoriteiten is overgedragen op grond van een EOB, maar op grond van een JIT-overeenkomst. De bepalingen van de EOB-richtlijn zijn dus niet van toepassing op de samenwerking tussen Nederland en Frankrijk binnen het JIT. Vrijspraak voor het onder 1 primair ten laste gelegde. Bewezenverklaring feit 2 en feit 3: feit 2: medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of een ander trachten te bewegen daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen en/of zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen. feit 3 primair: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod. Gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBNHO:2026:310, Rechtbank Noord-Holland, 14-01-2026, 15/134448-24 en 15/288423-25 (gev.) (P)
Rechtbank Noord-Holland · Strafrecht
ECLI:NL:RBAMS:2025:10502, Rechtbank Amsterdam, 23-12-2025, 13/165991-25
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht
ECLI:NL:RBAMS:2025:7699, Rechtbank Amsterdam, 16-10-2025, 81/018600-21
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht; Materieel Strafrecht
ECLI:NL:GHARL:2025:4979, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13-08-2025, 21-002616-24
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Strafrecht; Strafprocesrecht
Gegevens
Datum uitspraak
17 oktober 2025
Instantie
Rechtbank Noord-HollandRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
15.101802.23
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2025:12065