Juristi.nl
ECLI:NL:RVS:2026:1808Bestuursrecht

Boete tuindersbedrijf voor slechte tijdregistratie blijft op €22.500 — RVS:2026:1808

bestuurlijke boete / arbeids- en rusttijdenregistratie / Arbeidstijdenwet

Eiser / verzoeker

[appellant sub 1] (tuindersbedrijf)

Verweerder / gedaagde

Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

De Raad van State stelt de boete alsnog vast op het oorspronkelijk opgelegde bedrag van €22.500 voor overtreding van de registratieplicht uit de Arbeidstijdenwet.

  • De beleidsregel onderscheidt drie situaties bij overtreding van de registratieplicht: waarschuwing, boete zonder verhoging en directe boete met verhogingsfactor anderhalf; de rechtbank had de derde situatie ten onrechte als onvoldoende gemotiveerd aangemerkt.
  • De verhogingsfactor anderhalf is gerechtvaardigd omdat een werkgever zonder registratie bewust overtredingen buiten het zicht van de inspectie kan houden, wat een zwaarder maatschappelijk risico oplevert.
  • Getuigenverklaringen van werknemers compenseren een gebrekkige arbeids- en rusttijdenregistratie niet als die verklaringen tegenstrijdig zijn en een volledige inspectie over de gehele periode daardoor onmogelijk blijft.
  • De Raad van State bevestigt eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2017:501) dat de beleidsregel voldoende differentiatiemogelijkheden biedt voor een evenredige boeteoplegging.
  • De boete wordt teruggebracht van €15.000 (rechtbank) naar het oorspronkelijke bedrag van €22.500.

Samenvatting

Een tuindersbedrijf kreeg in 2021 een controle van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid op de naleving van de Arbeidstijdenwet. Daarbij bleek dat het bedrijf geen deugdelijke registratie bijhield van de arbeids- en rusttijden van haar werknemers. Op basis van een boeterapport uit april 2022 legde de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een boete op van €22.500.

Het tuindersbedrijf maakte bezwaar, maar de minister verklaarde dat ongegrond. Daarna stapte het bedrijf naar de rechtbank Oost-Brabant. Die gaf het bedrijf gedeeltelijk gelijk: de overtreding stond vast, maar de boete was te hoog vastgesteld. De rechtbank verlaagde de boete naar €15.000. De redenering was dat de beleidsregel van de minister een verhogingsfactor van anderhalf toepast zodra een inspectie volledig onmogelijk is gemaakt, maar dat daarvoor een nadere individuele motivering ontbrak. Beide partijen gingen in hoger beroep bij de Raad van State.

Centraal in de hogerberoepsprocedure stond de vraag of de verhogingsfactor terecht was toegepast. De minister betoogde dat zijn beleidsregel al drie situaties onderscheidt: een waarschuwing als de inspecteur de arbeidstijden ondanks gebrekkige registratie toch kan achterhalen, een boete zonder verhogingsfactor als dat na een eerdere waarschuwing opnieuw misgaat maar gegevens nog enigszins beschikbaar zijn, en een directe boete met verhogingsfactor als een volledige inspectie in het geheel niet mogelijk is. De rechtbank had volgens de minister over het hoofd gezien dat de beleidsregel dus ook ruimte biedt voor een boete zónder verhoging — maar dan in een andere situatie.

De Raad van State volgt de redenering van de minister. Uit de beleidsregel blijkt duidelijk dat de verhogingsfactor is bedoeld voor situaties waarin een werkgever door het ontbreken van registratie bewust overtredingen buiten het zicht van de inspectie kan houden. Dat rechtvaardigt niet alleen een directe boete, maar ook de verzwaring met factor anderhalf. De rechtbank had ten onrechte geconcludeerd dat de minister de verhoging nader individueel had moeten motiveren.

Het tuindersbedrijf probeerde in zijn incidenteel hoger beroep te betogen dat de Inspectie helemaal niet gehinderd was, omdat begin- en eindtijden van werknemers toch konden worden afgeleid uit getuigenverklaringen. De Raad van State gaat daar niet in mee. De verklaringen waren tegenstrijdig en konden de gebrekkige registratie niet compenseren. Een volledige inspectie over de gehele onderzochte periode was daardoor niet mogelijk.

De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover die de boete had verlaagd, en stelt de boete alsnog vast op het oorspronkelijke bedrag van €22.500.

Betrokken advocaten

mr. P.J.M. Boomaars

eiser

Corten Advocaten Lawyers, BREDA

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

1 april 2026

Rechtsgebied

Bestuursrecht

Zaaknummer

202500331/1/A3

Procedure

Hoger beroep

ECLI

ECLI:NL:RVS:2026:1808

Bekijk op rechtspraak.nl