Amsterdamse taxichauffeur moet €5.550 dwangsom betalen voor rijden zonder vergunning — CBB:2026:127
invordering dwangsom / handhaving taxivergunning
Eiser / verzoeker
Taxichauffeur (naam niet vermeld)
Verweerder / gedaagde
College van burgemeester en wethouders van Amsterdam
Het beroep is ongegrond verklaard; de invordering van de dwangsom van €5.550 blijft in stand.
- Bij invordering van verbeurde dwangsommen geldt een zwaarwegend belang voor invordering; afzien is alleen mogelijk bij bijzondere omstandigheden.
- Financiële draagkracht hoeft in beginsel niet te worden meegewogen bij het invorderingsbesluit; dat kan pas in de executiefase.
- De overtreder heeft de bewijslast om aannemelijk te maken dat hij de dwangsom evident niet kan betalen, en slaagde daar niet in.
- Het tijdsverloop van bijna twee jaar tussen oplegging van de last en de nieuwe overtreding is geen reden om van invordering af te zien.
- De chauffeur kan een betalingsregeling verzoeken om de dwangsom in termijnen te voldoen.
Samenvatting
Een taxichauffeur in Amsterdam die zonder vergunning passagiers oppikte op de opstapmarkt, moet een dwangsom van €5.550 betalen. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft zijn beroep tegen de invordering ongegrond verklaard.
De chauffeur beschikt niet over een zogeheten Taxxxivergunning, die verplicht is voor taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt — het gebied binnen de ring A10. Al in augustus 2021 legde de gemeente Amsterdam hem een last onder dwangsom op: elke keer dat hij zonder vergunning taxivervoer zou aanbieden, zou hij €5.500 moeten betalen, met een maximum van €27.750.
Nadat bijna twee jaar waren verstreken zonder nieuwe overtredingen, constateerde een toezichthouder op 12 maart 2023 alsnog dat de chauffeur opnieuw zonder vergunning reed. De gemeente stelde de dwangsom vast op €5.550 en sommeerde hem dat bedrag vóór 25 april 2023 te betalen. Omdat de chauffeur niet betaalde, vorderde de gemeente het bedrag formeel in via een invorderingsbesluit.
De chauffeur voerde in zijn bezwaar en beroep aan dat de gemeente onvoldoende rekening had gehouden met zijn financiële situatie. Hij stelde dat hij het bedrag simpelweg niet kon betalen. Ook op zitting bracht hij naar voren dat hij niet wist dat de opgelegde last nog steeds geldig was — het had immers bijna twee jaar geduurd voordat hij opnieuw de fout in ging, en hij had geen waarschuwing van de gemeente ontvangen.
Het CBb ging niet mee in deze redenering. Volgens vaste rechtspraak weegt het belang van invordering zwaar. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan een gemeente geheel of gedeeltelijk afzien van invordering, bijvoorbeeld als evident is dat de overtreder de dwangsom financieel onmogelijk kan betalen. De bewijslast daarvoor ligt bij de overtreder zelf: hij moet een volledig en betrouwbaar beeld geven van zijn financiële situatie.
De chauffeur slaagde daar niet in. De door hem overgelegde financiële stukken gaven geen compleet beeld van zijn inkomsten en vermogen — iets wat hij ter zitting zelf ook toegaf. Bovendien, zo benadrukte het college, kan de financiële draagkracht in de regel pas volledig worden meegewogen in de executiefase, wanneer het daadwerkelijk tot inning komt. De chauffeur heeft de mogelijkheid een betalingsregeling te vragen om het bedrag in termijnen te voldoen.
Ook het argument dat hij bijna twee jaar geen overtreding had begaan en geen herinnering aan de geldende last had ontvangen, bood geen soelaas. Het CBb oordeelde dat dit tijdsverloop geen reden is om van invordering af te zien. Het beroep werd ongegrond verklaard en de dwangsom van €5.550 blijft volledig verschuldigd.
Betrokken advocaten
mr. T. Novakovic
eiser
mr. M. ten Doesschate
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
Amsterdamse taxichauffeur verliest beroep tegen dwangsom illegaal opstappen
College van Beroep voor het bedrijfsleven · Bestuursrecht
ECLI:NL:CBB:2026:122, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 24-03-2026, 24/3
College van Beroep voor het bedrijfsleven · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBMNE:2026:1037, Rechtbank Midden-Nederland, 18-03-2026, 16/264227-24
Rechtbank Midden-Nederland · Strafrecht
ECLI:NL:RBNHO:2026:2402, Rechtbank Noord-Holland, 18-02-2026, 11802687
Rechtbank Noord-Holland · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Rechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
23/2043
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:CBB:2026:127